← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:9560

WAHV 200.191.415 7 november 2019 CJIB 188053851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 6 oktober 2017, 16 juli 2018 en 6 mei 2019 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De advocaat-generaal heeft aanvullende informatie overgelegd. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie de hoorplicht niet heeft geschonden. De kantonrechter heeft overwogen dat geen verzoek is gedaan om te worden gehoord. In het administratief beroepschrift is echter wel degelijk nadrukkelijk verzocht om te worden gehoord.
  2. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingssituaties voordoen. Aldus heeft de officier van justitie ten onrechte van het horen afgezien. Dit brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Gelet daarop behoeven de overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.
  3. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 92,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2015 om 11:11 uur op de Laan der Verenigde Naties, ter hoogte van Ov-mast 354 te Dordrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
  4. De gemachtigde voert aan dat de sanctie niet door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar is opgelegd. Blijkens de akte van beëdiging van de betrokken ambtenaar, waarvan de gemachtigde eerder in de procedure een afschrift heeft overgelegd, wordt de titel van opsporingsbevoegdheid ontleend aan de categoriale beschikking "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2009" van 23 april
  5. Deze categoriale beschikking is echter met ingang van 1 september 2013 vervallen. Niet gebleken is dat aan de betrokken ambtenaar een nieuwe akte van beëdiging is uitgereikt.
  6. Uit het door de gemachtigde overgelegde afschrift van de akte van beëdiging blijkt dat de betreffende verbalisant is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar en dat hij beschikt over een geldige titel van opsporingsbevoegdheid, ontleend aan de door of namens de Minister van Justitie voor het onderhavige domein en diensteenheid uitgevaardigde categoriale beschikking "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2009" van 23 april 2009, nr. 5594279/
  7. Dit besluit is opgevolgd door het ten tijde van de gedraging geldende "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2013" d.d. 1 augustus 2013 (Staatscourant 8 augustus 2013, nr. 22371). Artikel 7 van het laatstgenoemde besluit bepaalt dat de op naam gestelde akten van beëdiging, afgegeven mede op basis van het eerstgenoemde besluit, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het laatstgenoemde besluit. De ambtenaar was dus bevoegd tot het opleggen van de onderhavige sanctie. Het verweer van de gemachtigde wordt dan ook verworpen.
  8. Eerder in de procedure heeft de gemachtigde aangevoerd dat het voertuig van de betrokkene niet op de genoemde datum op de betreffende locatie is geweest. Het kenteken van het gemeten voertuig is waarschijnlijk niet goed waargenomen. Het is de betrokkene bekend dat het kenteken [00-YX-YY] in de afleesapparatuur van het CJIB vaak met het kenteken van het voertuig van de betrokkene, te weten [00-YY-YY] , wordt verward. Blijkbaar kan het systeem de "P" niet goed van de "F" onderscheiden. De betrokkene krijgt vaker sancties opgelegd die niet correct zijn. Nadat in hoger beroep de foto's van de gedraging zijn overgelegd, waarop een voertuig met kenteken [00-YY-YY] is te zien, heeft de gemachtigde niet meer gereageerd. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de gemachtigde zijn verweer op dit punt niet langer handhaaft.
  9. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
  10. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Dit betekent dat het verzoek om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot dit arrest ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op het oordeel zoals in het arrest verwoord. De gemachtigde heeft verder betoogd dat het hof met toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een proceskostenvergoeding dient toe te kennen. Artikel 8:88 Awb heeft geen betrekking op de vergoeding van proceskosten. Bovendien is hoofdstuk 8 van de Awb in het kader van de onderhavige procedure uitgesloten, terwijl het hof geen aanleiding ziet voor analoge toepassing van artikel 8:88 Awb. Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.