GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.244.711/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 6591900) arrest in kort geding van 12 november 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. W.Y. Hofstra, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.H. Adema. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 7 februari 2018 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna de kantonrechter) heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 6 maart 2018, hersteld bij exploot van 20 juli 2018, - de memorie van grieven met een productie, - de memorie van antwoord met een productie, - de schriftelijke pleidooien van partijen. 2.2 Na afloop van het schriftelijk pleidooi heeft het hof arrest bepaald. 2.3 [appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – het vonnis van 7 februari 2018 te vernietigen en te bepalen dat [geïntimeerde] niet over mag gaan tot ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis en in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.8. van het (bestreden) vonnis van 7 februari 2018. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan komen de feiten, voor zover in hoger beroep nog van belang, neer op het volgende. 3.1 Tussen partijen is op 1 juli 2008 een huurovereenkomst gesloten, waarbij [appellant] van [geïntimeerde] bedrijfsruimte huurt, te weten een Italiaans restaurant aan de [a-straat 1] te [C] . De huurovereenkomst is aangegaan voor een eerste periode van vijf jaar, tot en met 30 juni 2013, met verlenging tot en met 30 juni 2018. De aanvangshuurprijs bedroeg € 1.650,- per maand inclusief een voorschot van € 300,- voor bijkomende diensten en excl. btw. Bij de aanvang van de huur heeft [appellant] een waarborgsom van € 4.050,- voldaan. 3.2 Op 15 juni 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard in kort geding terzake een vordering van € 21.112,75 aan huurachterstand, wettelijke rente, contractuele boete, vergoeding van een factuur voor glasreparatie en vergoeding van incassokosten. Naast betaling van dit bedrag heeft [geïntimeerde] ook de ontruiming van het gehuurde gevorderd. Partijen hebben in die zaak tijdens de mondelinge behandeling daarvan op 16 augustus 2016 een minnelijke regeling (vaststellingsovereenkomst) getroffen, die is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Die regeling hield in dat [appellant] vanaf oktober 2016 maandelijks een bedrag van € 5.000,- zou betalen, waarin begrepen de lopende huur en aflossing op de achterstand, totdat de achterstand zou zijn voldaan. Bij niet stipte nakoming zou [geïntimeerde] mogen overgaan tot ontruiming en zou de huurovereenkomst worden ontbonden. 3.3 In de periode van 1 maart 2017 tot 1 juli 2017 is de bedrijfsruimte op grond van een indeplaatsstellingsovereenkomst verhuurd geweest aan de heren [D] (hierna in enkelvoud: [D] ). Die indeplaatsstelling is komen te vervallen omdat [D] geen exploitatievergunning kreeg, waarna de huurovereenkomst tussen partijen is herleefd op basis van de oorspronkelijke huurovereenkomst. 3.4 Bij deurwaardersexploot van 4 december 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] het proces verbaal van de zitting van 16 augustus 2016 betekend en hem gesommeerd om de huurachterstand tot en met november 2017 te voldoen, berekend op een bedrag van € 6.036,21, onder aanzegging van de ontruiming bij exploot van 9 januari 2018 tegen 1 februari 2018. 3.5 Het gehuurde is door [appellant] inmiddels ontruimd. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellant] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd de schorsing van de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 16 augustus 2016 en [geïntimeerde] te verbieden over te gaan tot ontruiming van het gehuurde. Volgens [appellant] heeft hij voldaan aan de minnelijke regeling. Weliswaar bestond er in januari 2017 nog een huurachterstand van € 2.559,-, maar afgesproken was dat die verrekend zou worden met de waarborgsom. 4.2 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en betwist dat zou zijn afgesproken dat de waarborgsom mocht worden verrekend met de huurachterstand. In reconventie heeft hij veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van de huurachterstand tot en met januari 2018, te vermeerderen met contractuele boeterente en met wettelijke handelsrente. Voorts heeft hij veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 4.246,30 incl. btw aan verschillende onbetaald gebleven facturen en tot ontruiming. 4.3 De kantonrechter heeft in zijn bestreden vonnis overwogen dat voor de huurachterstand over de periode tot en met januari 2017, een bedrag van € 2.559,97, [geïntimeerde] al beschikt over een executoriale titel. Aan verdere huurachterstand heeft de kantonrechter een bedrag vastgesteld van € 12.277,58, ontstaan in de periode van 1 juli 2017 tot en met januari 2018. Op dat bedrag heeft de kantonrechter de door [D] betaalde waarborgsom van € 5.214,18 in mindering gebracht, omdat [D] (op 10 oktober 2017) had bericht daarmee in te stemmen. In reconventie heeft de kantonrechter [appellant] vervolgens veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.991,57 (waarin begrepen aan hoofdsom € 7.063,40, aan contractuele boete € 1.200,- (4 x een bedrag van € 300,-) en aan buitengerechtelijke kosten € 728,17). Ook is [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Het in reconventie meer of anders gevorderde is afgewezen. In conventie zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen. Zowel in conventie als in reconventie is [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 [appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van twee grieven (genummerd I en II). 5.2 Met grief I komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat “het er voor gehouden moet worden dat het in januari 2017 nog openstaande bedrag niet is voldaan en [geïntimeerde] het proces-verbaal kan gebruiken als titel voor ontruiming”. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte aangenomen dat er in januari 2017 nog een bedrag van € 2.559,97 aan huurachterstand voldaan diende te worden. Volgens hem was in januari 2017 namelijk geen sprake meer van een huurachterstand. Daarmee was voldaan aan de regeling in het proces-verbaal en kon [geïntimeerde] daaraan dus geen titel ontlenen om tot ontruiming over te gaan. De vordering van [appellant] om de ontruiming op grond van het proces-verbaal van 16 augustus 2016 te verbieden is daarom ten onrechte afgewezen. Bovendien had [geïntimeerde] zijn aanspraak op tenuitvoerlegging van die titel al verwerkt, door daar pas in december 2017 een beroep op te doen, aldus [appellant] . [geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellant] betwist. 5.3 Het hof stelt voorop dat [appellant] het gehuurde inmiddels heeft ontruimd en dat hij daarom geen spoedeisend belang meer heeft bij de door hem verzochte voorlopige voorziening, die er immers juist toe strekt om een ontruiming te voorkomen. Vanwege de in eerste aanleg tegen [appellant] uitgesproken kostenveroordeling heeft hij echter wel belang behouden bij een beoordeling van de vraag of in eerste aanleg het door hem gevorderde verbod tot ontruiming terecht is afgewezen. Daarover wordt het navolgende overwogen. 5.4 [appellant] heeft in de inleidende dagvaarding zelf erkend dat de achterstand in januari 2017 het bedrag van € 2.559,- beliep. Naar het hof begrijpt – [appellant] is niet eenduidig – voert hij in hoger beroep voor zijn stelling dat in januari 2017 geen betalingsachterstand meer bestond het volgende aan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.