Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002695-19 Uitspraak d.d.: 13 november 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2019 met parketnummer 18-038123-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde tot een werkstraf van veertig uren subsidiair twintig dagen jeugddetentie en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P. Keijzer, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een werkstraf van veertig uren subsidiair twintig dagen jeugddetentie en de vordering van de benadeelde partij toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 7 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, opzettelijk twaalf bankbiljetten van 50 euro, althans een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven; subsidiair hij op of omstreeks 7 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk twaalf bankbiljetten van 50 euro, althans een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Verdachte is primair ten laste gelegd dat hij opzettelijk valse bankbiljetten heeft uitgegeven, terwijl hij op het moment dat hij deze biljetten ontving wist dat ze vals waren. Subsidiair is verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk valse of vervalste bankbiljetten heeft uitgegeven, waarbij de valsheid hem bekend was op het moment dat hij de bankbiljetten uitgaf. Verdachte heeft elke wetenschap van valsheid en aldus elk opzet ontkend. Primair Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op het moment van het ontvangen van de bankbiljetten wist dat deze biljetten vals waren. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Subsidiair Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk vals geld heeft uitgegeven. Het in dit verband voor de verdachte meest bezwarende bewijsmiddel, te weten de verklaring van verdachte ter zitting in eerste aanleg dat hij "wel door had dat het niet helemaal zuivere koffie was", acht het hof in dat verband niet c.q. onvoldoende redengevend voor het opzet van verdachte op het uitgeven van vals geld. Mede in aanmerking genomen hetgeen door c.q. namens verdachte naar voren is gebracht, is/blijft immers denkbaar dat deze uitlating niet specifiek betrekking had op de valsheid van het geld, maar - bijvoorbeeld - op de herkomst ervan. Ook het subsidiair tenlastegelegde kan niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. Het hof heeft aldus uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr. A.H. toe Laer, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. W. Foppen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier, en op 13 november 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. W. Foppen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.