← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2019:9795

WAHV 200.207.522 14 november 2019 CJIB 196830850 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 januari 2017 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep - onder meer - op het standpunt dat de officier van justitie het administratief beroep van de betrokkene ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft aangemerkt. Door, ondanks uitdrukkelijk gedaan verzoek, van het horen af te zien, is de hoorplicht geschonden. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat geen sprake is van schending van de hoorplicht nu het administratief beroep terecht door de officier van justitie als kennelijk ongegrond is aangemerkt.
  2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde van de betrokkene in zijn administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het beroep niet kan worden aangemerkt als kennelijk ongegrond, heeft de officier van justitie ten onrechte van het horen afgezien. Dit brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven nu geen bespreking meer.
  3. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 107,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 13 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2016 om 12:11 uur op de N217- Provincialeweg te Heinenoord met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
  4. De gemachtigde stelt dat niet vaststaat wat de maximumsnelheid ter plaatse is. Er is namelijk niet gebleken van bebording. De gedraging kan daarom niet worden vastgesteld.
  5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens bevat het zaakoverzicht van het CJIB onder meer de volgende gegevens: “De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Gemeten (afgelezen) snelheid : 66 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 63 km per uur.Toegestane snelheid : 50 km per uur.Overschrijding met : 13 km per uur.”
  6. In het dossier bevinden zich tevens foto's van de gedraging. Te zien is onder meer het voertuig van de betrokkene. De gegevens die in de databalk bovenin de foto's zijn vermeld, stemmen overeen met de gedragingsgegevens in het zaakoverzicht van het CJIB.
  7. Bij het verweerschrift heeft de advocaat-generaal een foto van de situatie van mei 2016 overgelegd. Het hof is van oordeel dat deze foto onvoldoende steun biedt voor de weerlegging van het bezwaar dat de bebording op 28 maart 2016 niet aanwezig was. Op basis van de overgelegde informatie kan in het licht van het gevoerde verweer niet genoegzaam worden vastgesteld wat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging was. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
  8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,-. Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; vernietigt de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 196830850 de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat het door de betrokkene tot zekerheid gestelde bedrag door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 768,-. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.