GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.237.562/01 CJIB-nummer : 200764291 Uitspraak d.d. : 20 november 2019 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 maart 2018, betreffende [A] , kantoorhoudende te [B] . beweerdelijk optredende voor [betrokkene] , wonende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Het verloop van de procedure [A] (hierna: [A] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd die aan de eisen voldoet.
- [A] stelt zich op het standpunt dat hij op tijd heeft voldaan aan het verzoek van de kantonrechter alsnog een machtiging te overleggen.
- In artikel 9, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene die administratief beroep heeft ingesteld beroep kan instellen tegen de beslissing van de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard omdat [A] niet een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens de betrokkene, tot wie de inleidende beschikking was gericht, beroep in te stellen. Daarmee heeft het administratief beroep te gelden als ingesteld door [A] . Gelet hierop kon de kantonrechter geen schriftelijke machtiging van [A] verlangen. De kantonrechter heeft het beroep van [A] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
- De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet of niet tijdig een machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat [A] gemachtigd is door degene tot wie de inleidende beschikking is gericht.
- [A] voert aan dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat een machtiging bij het beroepschrift was gevoegd. Als de officier van justitie van mening was dat deze niet juist zou zijn, had er herstelverzuim moeten worden geboden, hetgeen niet is gebeurd.
- In artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. De officier van justitie is op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt. De officier van justitie kan daarmee vaststellen of degene die zich als gemachtigde van de betrokkene aandient, bevoegd is namens deze beroep in te stellen. Indien de officier van justitie vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt of niet toereikend is, kan hij het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit kan alleen als de (pretense) gemachtigde schriftelijk in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, het verzuim niet binnen de in de brief genoemde termijn is hersteld en in de brief is meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.
- Het hof stelt vast dat bij het beroepschrift van 19 september 2016 een machtiging is gevoegd. [A] wordt gemachtigd onder andere geschillen op grond van de Wahv in rechte te bestrijden. De machtiging is ondertekend. De naam van degene die de machtiging heeft ondertekend ontbreekt echter. Ook uit de handtekening blijkt niet wie de machtiging heeft ondertekend. Verder wordt voor het CJIB-nummer verwezen naar een bijlage. De bijlage is niet bijgevoegd. Gelet hierop kon de officier van justitie van [A] een adequate machtiging verlangen.
- Bij brief van 1 december 2016 heeft de officier van justitie [A] medegedeeld dat een schriftelijke machtiging (een schriftelijke toestemming van degene aan wie de beschikking is gericht dat u beroep aan mag tekenen tegen de opgelegde sanctie) ontbreekt. [A] wordt in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van de brief te herstellen. Ook wijst de officier van justitie [A] erop dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet (tijdig) wordt hersteld. Uit de stukken blijkt niet dat [A] dit verzuim heeft hersteld. De officier van justitie heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
- Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van het hof geen sprake. Nu geen adequate machtiging is verstrekt, was het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De officier van justitie mocht er daarom van afzien de gemachtigde te horen (vergelijk het arrest van het hof van 7 oktober 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:9317).
- Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
- Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.