GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.272.386 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 474568) beschikking van 1 december 2020 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [A] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. L. van der Steen te Veghel, gemeente Meierijstad, en [verweerster] , wonende te [B] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S. van Beers te Zeist. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder te noemen: de rechtbank), van 7 maart 2019 en 8 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 8 oktober 2019 wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 januari 2020; het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep; het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep; een journaalbericht van mr. Van der Steen van 30 mei 2020 met producties; een journaalbericht van mr. Van Beers van 1 juni 2020 met producties; een journaalbericht van mr. Van der Steen van 26 oktober 2020 met als bijlage een brief van mr. Van der Steen van dezelfde datum met producties; een journaalbericht van mr. Van Beers van 26 oktober 2020 als bijlage een brief van mr. Van Beers van dezelfde datum met één productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Partijen hebben van augustus 2017 tot januari 2018 samengewoond. De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige] , geboren [in] 2017 te [A] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] , die haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. 3.2 De man en [de minderjarige] hebben de Belgische nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. 3.3 De rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2019 een zorgregeling vastgesteld, zoals opgenomen in de door partijen overeengekomen zorgregeling en waarvan een afschrift aan de beschikking is gehecht. In hoofdlijnen komt de zorgregeling erop neer dat [de minderjarige] om de week bij haar vader verblijft van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur. Deze weekenden worden in (Belgische) schoolvakanties en bij feestdagen met een paar dagen verlengd. De man haalt en brengt [de minderjarige] . 4Het geschil 4.1 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: de kinderalimentatie) met ingang van 1 februari 2019 vastgesteld op € 282,- per maand. 4.2 De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het draagkrachtloos inkomen van de man en op de draagkracht van de vrouw. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat hij maandelijks maximaal met € 284,- dient bij te dragen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van 1 februari 2019, dan wel met een zodanig bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht, kosten rechtens. 4.3 De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. De grieven van de vrouw zien op de benzinekosten van de man en zijn netto besteedbaar inkomen. De vrouw verzoekt het hof de man in zijn verzoek in het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] € 310,- per maand dient te betalen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, steeds bij vooruitbetaling aan haar te voldoen. 4.4 De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt de incidentele grieven van de vrouw te verwerpen. 5De overwegingen voor de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1 De rechtbank was op grond van artikel 3 aanhef en onder b en artikel 9 van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vrouw, omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 5.2 Het hof zal, net als de rechtbank, Nederlands recht toepassen op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening en artikel 3 van het Haags Protocol. Kinderalimentatie Ingangsdatum 5.3 Het hof hanteert 1 februari 2019 als ingangsdatum, nu die datum niet in geschil is. Behoefte [de minderjarige] 5.4 De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [de minderjarige] in 2019 van € 356,- per maand is niet in geschil en staat daarmee vast. Draagkracht van de man 5.5 Volgens beide partijen heeft de rechtbank ten onrechte het draagkrachtloos inkomen van de man verhoogd met de door hem gemaakte benzinekosten van € 160,- per maand voor de zorgregeling met [de minderjarige] . 5.6 De man vindt dat in zijn draagkrachtloos inkomen alleen rekening moet worden gehouden met zijn aandeel in deze kosten (de helft). De andere helft dient de vrouw aan hem te vergoeden conform hun onderlinge afspraak. 5.7 De vrouw daarentegen vindt dat in het geheel geen rekening moet worden gehouden met deze benzinekosten. Zij heeft vrijblijvend aan de man te kennen gegeven wel te willen meebetalen aan de benzinekosten, maar er is nooit gesproken over exacte bedragen. Gelet op het grote inkomensverschil tussen partijen is het ook niet redelijk dat zij de helft van de benzinekosten voor haar rekening zou moeten nemen. Bovendien is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarom afgeweken moet worden van hetgeen in het Rapport Alimentatienormen is geschreven over dergelijke kosten. 5.8 Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de vrouw in gesprekken bij het Centrum voor Jeugd en Gezin te kennen heeft gegeven mee te willen betalen aan de benzinekosten, maar van een door aanbod en aanvaarding tot stand gekomen overeenkomst tussen partijen over de benzinekosten is het hof niet gebleken. In de gehanteerde (forfaitaire) systematiek voor de berekening van kinderalimentatie kan op grond van bijzondere omstandigheden rekening worden gehouden met extra lasten bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen. Niet ter discussie staat dat de man het halen en terugbrengen van [de minderjarige] volledig voor zijn rekening neemt, terwijl dit een verantwoordelijkheid is van beide ouders. In hoger beroep heeft de man met stukken onderbouwd dat de benzinekosten om uitvoering te kunnen geven aan de zorgregeling afgerond € 169,- per maand bedragen. Naar het oordeel van het hof is het, mede gelet op de reisuren die de man maakt met het halen en brengen van [de minderjarige] en de te overbruggen afsatand, in dit geval dan ook redelijk om in de berekening van het draagkrachtloos inkomen van man de volledige benzinekosten mee te nemen. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man verhogen met een bedrag van € 169,- per maand. 5.9 De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte het netto besteedbaar inkomen van de man heeft vastgesteld op € 2.406,- per maand. De man heeft namelijk nagelaten jaaropgaven 2017-2019 over te leggen, zodat niet kan worden nagegaan of de man ook recht heeft op een dertiende maand of bonus. Volgens de man heeft hij van meet af aan openheid gegeven over zijn inkomen. De man legt alsnog de jaaropgaven 2018 en 2019 over. 5.10 Gelet op hetgeen onder 5.4 ten aanzien van de ingangsdatum is overwogen, zal het hof de draagkracht van partijen beoordelen vanaf 1 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.