GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.266.519/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 164602) beschikking van 24 november 2020 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [A] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.M. Suurmeijer te Stadskanaal, en [verweerster] , wonende te [B] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.L. van Onna te Franeker. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 16 september 2019; het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s); het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep; een journaalbericht van mr. Suurmeijer van 8 oktober 2019 met productie(s); een journaalbericht van mr. Suurmeijer van 30 juli 2020 met productie(s); een journaalbericht van mr. Van Onna van 30 juli 2020 met productie(s); een journaalbericht van mr. Suurmeijer van 24 september 2020 met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 8 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. van Onna heeft pleitaantekeningen overgelegd. 3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2018. [de minderjarige1] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen hebben nooit als gezin met [de minderjarige1] samengewoond. 3.2 Uit een huwelijk van de man zijn [in] 2004 dochter [de minderjarige2] en [in] 2006 zoon [de minderjarige3] geboren. [de minderjarige2] woont bij haar moeder en [de minderjarige3] woont bij de man. De man dient op basis van een beschikking van 20 mei 2008 € 135,- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] , zijnde per 1 januari 2019 - na indexering - € 162,44 per maand. 3.3 Op de vrouw is van 16 mei 2017 tot 19 mei 2020 de wettelijke schudsaneringsregeling van toepassing geweest. 3.4 De gelden en goederen van de vrouw zijn van 1 april 2015 tot 15 juli 2020 onder bewind gesteld geweest. 4Het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 27 december 2018 bepaald op € 110,- per maand. 4.2 De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 juni 2019. De grief ziet op zijn draagkracht. De man verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de door hem verschuldigde kinderalimentatie voor [de minderjarige1] op € 110,- per maand is gesteld en te bepalen dat hij met ingang van 27 december 2018 maandelijks een bedrag van € 16,67 aan de vrouw dient te betalen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] , kosten rechtens. 4.3 De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de behoefte van [de minderjarige1] . De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover dit het incidenteel appel van de vrouw betreft en de behoefte van [de minderjarige1] vast te stellen op € 239,- per maand, althans een nader in rechte te bepalen bedrag per maand, alsmede te bepalen dat de man een bedrag ad € 239,- per maand, dan wel een nader in rechte te bepalen bedrag ten gunste van [de minderjarige1] ten titel van kinder- alimentatie moet voldoen, vanaf 27 december 2018, althans vanaf een nader in rechte te bepalen datum, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties. 4.4 De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens. 4.5 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De overwegingen voor de beslissing Ingangsdatum 5.1 Niet in geschil is dat 27 december 2018 als ingangsdatum moet worden gehanteerd. Behoefte 5.2 Het gaat hier om een eerste vaststelling van kinderalimentatie voor [de minderjarige1] . Partijen zijn verdeeld over haar behoefte. Zij hebben nooit als gezin met [de minderjarige1] samengewoond. Hun relatie was rondom de geboorte van [de minderjarige1] in augustus 2018 reeds beëindigd. 5.3 Op basis van de richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen wordt bij de bepaling van de behoefte van een kind uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt. Op basis daarvan wordt de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen “Kosten van kinderen” vastgesteld. De behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefteberekening op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget) en de behoefteberekening op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget). Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind. 5.4 De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige1] gesteld op het laagste bedrag in de behoeftetabel 2018 voor een kind tot en met vijf jaar, zijnde € 110,- per maand, omdat zij geen conclusies kon verbinden aan de financiële stukken van de man. De vrouw grieft daartegen in haar incidentele appel. Zij is het eens met de rechtbank dat enkel de door de man overgelegde jaarcijfers van zijn ondernemingen onvoldoende houvast bieden voor de bepaling van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI), maar zij is het niet eens met de daaraan door de rechtbank verbonden consequentie. Bij gebrek aan voldoende informatie over de inkomenspositie van de man in 2018 heeft de vrouw de behoefte van [de minderjarige1] in eerste aanleg gesteld op € 239,- per maand. Daarbij schat zij het NBI van de man op € 2.146,- per maand en berekent zij haar eigen NBI in 2018 aan de hand van de jaaropgave op € 1.973,- per maand. Voor het NBI van de man heeft de vrouw de in de jaarcijfers van 2017 van het installatiebedrijf van de man opgevoerde privékosten van de huishouding van € 15.581,- en de in de aangifte IB 2017 opgenomen arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 10.783,- als uitgangspunt genomen. De vrouw heeft dit standpunt in hoger beroep gehandhaafd, omdat de man in haar ogen nog steeds onvoldoende gegevens in het geding heeft gebracht. De man betwist de door de vrouw gestelde behoefte van [de minderjarige1] en verwijst in dit verband naar zijn financiële gegevens. Hij is van mening dat uit de overgelegde jaarstukken van zijn beide ondernemingen en aangiftes (en aanslagen) IB over 2015, 2016, 2017 en 2018 duidelijk blijkt dat zijn inkomen minimaal is. De man stelt dat hij uitsluitend van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en toeslagen leeft. Hij wijt zijn penibele financiële situatie met name aan de voor zijn functioneren nadelige gevolgen van een ongeluk in 2013. De man beweert daarvan nooit goed hersteld te zijn. Hij vindt dat de behoefte van [de minderjarige1] berekend dient te worden op basis van zijn verzamelinkomen in 2017 van € 465,- zoals is vastgesteld door de belastingdienst. De vrouw heeft de overgelegde inkomensgegevens van de man zowel in het kader van de behoefte als de draagkracht gemotiveerd betwist. * NBI man 5.5 De man heeft een tweetal ondernemingen in de vorm van een eenmanszaak, te weten [C] en [D] . Daarnaast ontvangt/ontving de man (tot april 2020) als gevolg van een of meerdere ongeval(len) (een) uitkering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.