GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.255.659/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/411559 / HL ZA 16-83) arrest van 8 december 2020 in de zaak van 1 [appellant1] , wonende te [A] , hierna: [appellant1],
(2008)en dat vervanging daarvan zinloos was. 4.9 Tussenconclusie is dat de ontbindingsverklaring van Impex in september 2009 geen effect heeft gesorteerd. Impex is niet van haar betalingsverplichtingen jegens Drettmann bevrijd en zij bleef gehouden het tweede deel van de koopprijs ( € 666.500,- aan hoofdsom) aan Drettmann te voldoen. Een andere grond voor het niet langer verschuldigd zijn van dat tweede deel de koopprijs is door [appellanten] c.s. niet gesteld. IMI heeft niet bevrijdend betaald aan Impex; [appellanten] c.s. hebben onrechtmatig gehandeld jegens de curator (grief IV-VII van [appellanten] c.s.) 4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag of [appellanten] c.s. onrechtmatig jegens de curator hebben gehandeld moet beantwoord met toepassing van Nederlands recht en de vraag wat de gevolgen van de cessie bij voorbaat zijn (meer in het bijzonder: of IMI alleen bevrijdend aan de curator kon betalen) naar Duits recht. Niet gesteld of gebleken is overigens of er op dat punt verschil bestaat met het Nederlandse recht. Door [appellanten] c.s. is niet weersproken de stelling van de curator dat naar Duits recht een dergelijke cessie bij voorbaat tot zekerheid geldig is. Het staat op grond van de stellingen van partijen genoegzaam vast dat Drettmann naast een eigendomsvoorbehoud een cessie bij voorbaat van een mogelijke vordering van Impex op de koper van het jacht had bedongen (Vorausabtretungsklausel) en Impex de bevoegdheid had gegeven die vordering namens Drettmann te incasseren. De tekst daarvan luidt als volgt: Die aus dem Weiterverkauf oder sonstigen Rechtsgrund (z.B Versicherung, unerlaubte Handlung) bezüglich der Vorbehaltsware entstandenen Forderungen einschließlich sämtlicher Saldoforderungen aus Kontokorrent tritt der Käufer bereits hiermit in Höhe des Rechnungswertes sicherungshalber an uns ab. Dies gilt auch für den Fall, dass nach den vorstehenden Beschränkungen eine Weiterveräusserung nicht zulässig war. Wir nehmen die Abtretung an (…). De bepaling over de incassobevoegdheid luidt als volgt: “Der Käufer ist widerruflich berechtigt, die an uns abgetretenen Forderungen im eigenen Namen und für unsere Rechnung einzuziehen. Diese Einziehungsermächtigung kann widerrufen werden, wenn der Käufer seinen Zahlungsverpflichtungen nicht ordnungsgemäß nachkommt. lm Fall des berechtigten Widerrufs hat der Käufer bzw. sein Rechtsnachfolger oder Insolvenzverwalter auf Verlangen die abgetretenen Forderungen und deren Schuldner nebst Adressen bekannt zu geben, alle zum Einzug erforderlichen Angaben zu machen, die dazugehörenden Unterlagen auszuhändigen und dem Schuldner die Abtretung unverzüglich anzuzeigen.“ 4.11 Zowel [appellant1] , wiens wetenschap aan Impex kan worden toegerekend, als [appellant3] (als bestuurder van IMI) waren van de cessie en de incassobevoegdheid op de hoogte. [appellant3] heeft tijdens de comparitie bij de rechtbank verklaard dat hij in verband met de door hem gewenste zekerheid voor de geldlening de koopovereenkomst tussen Drettmann en Impex en de bijbehorende algemene voorwaarden heeft gelezen. De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis in rechtsoverweging 3.15 ten aanzien van de aan IMI toe te rekenen wetenschap van [appellant3] het volgende overwogen: IMI en [appellant3] als bestuurder van IMI zijn vanaf de koopovereenkomst van 12 februari 2008 direct en intensief betrokken geweest bij de gang van zaken rondom het jacht. IMI wist dat Impex nog de andere helft van de koopprijs, € 666.500,00, aan Drettmann moest betalen. Drettmann was een relatie van [appellant3] [appellant1] en [appellant3] zijn vader en zoon. Bij de koopovereenkomst heeft niet alleen [appellant1] de algemene voorwaarden onder ogen gehad, maar [appellant3] ook. De wetenschap van [appellant3] kan aan IMI worden toegerekend, gelet op zijn positie in IMI. IMI was de indirecte financier en heeft het volledige bedrag van € 666.500,00 via de aandeelhouder van Impex (IBI) aan Impex voor de aankoop van het jacht geleend. IMI bevond zich in dezelfde branche als Impex en kan dus geacht worden op de hoogte te zijn van bedingen die Drettmann in de algemene voorwaarden heeft opgenomen. Daar had zij ook als geldschieter alle belang bij. IMI deed kennelijk ook zaken in Duitsland, omdat IMI en Impex zich rechtens lieten vertegenwoordigen door dezelfde Duitse advocaat. Kortom, IMI wist van de hoed en de rand. Tegen deze overwegingen hebben [appellanten] c.s. niet gegriefd, zodat het hof die tot uitgangspunt neemt. 4.12 Uit de stellingen van [appellanten] c.s. (zie bijvoorbeeld de verklaring daarover van [appellant1] tijdens de comparitie bij de rechtbank) blijkt dat de financiële positie van Impex in augustus 2012 verslechterde en dat de bank van Impex voorwaarden aan verdere financiering stelde, waaraan Impex niet kon voldoen. De kosten voor instandhouding van het jacht - het enige actief van Impex - waren zo hoog opgelopen dat Impex die niet langer kon opbrengen. Ondertussen was al in maart en juli van dat jaar door de curator aan Impex kenbaar gemaakt - en niet bestreden is dat [appellant3] ook daarvan ook op de hoogte was - dat de incassobevoegdheid was ingetrokken, dat een eventuele koopprijs van het jacht alleen bevrijdend aan de curator kon geschieden en dat een mogelijke koper van het jacht daarover moest worden geïnformeerd. Tegen de overweging van de rechtbank in 3.13 in het eindvonnis - dat de incassobevoegdheid contractueel is geregeld en los staat van de eigendom van het jacht - hebben [appellanten] c.s. niet gegriefd. 4.13 Uit de gang van zaken volgt dat [appellanten] c.s. er voor hebben gekozen om in de slechte financiële situatie waarin Impex verkeerde de eigen belangen veilig te stellen. [appellanten] c.s. hebben daartoe verschillende wegen bewandeld. [appellant3] heeft daarover tijdens de comparitie bij het hof gezegd dat hij heeft gehandeld in het belang van zijn zoon en van hemzelf als financier. Dat is ten koste gegaan van de belangen van Drettmann, zoals hierna zal blijken. Hoewel de overeenkomsten van geldlening tussen IMI en IBI en tussen IBI en Impex geen verplichting tot verpanding van Impex jegens IMI kennen (de daarin voorkomende bepaling: ‘het jacht wordt in zekerheid gegeven’ duidt meer op een naar Nederlands recht ongeldige titel voor overdracht tot zekerheid dan op een verplichting tot verpanding), heeft Impex meegewerkt aan een dergelijke (onverplichte) verpanding. Dat IMI vervolgens op basis van dit pandrecht het jacht onder zich heeft genomen door dit in vuistpand te nemen, blijkt echter niet. Het in vuistpand nemen van een verpande zaak leidt bovendien niet tot eigendom van de pandhouder. Wat daar ook van zij, uit de factuur van 20 september 2012 en de kwitantie blijkt dat Impex vervolgens het jacht aan IMI heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen. De tekst van de kwitantie (‘Aan u geleverd en door u volledig betaald waarbij het economische en juridische eigendom per heden naar u is overgegaan’) laat daarover aan duidelijkheid niets te wensen over. De stelling van [appellanten] c.s. (randnummer 63, memorie van grieven) dat de factuur is opgesteld voor het sluitend maken van de administratie en ‘door een gebrek aan middelen en ervaring’ doet daaraan niet af. Ook de gang van zaken nadien wijst er op dat IMI zich als rechthebbende op grond van een koopovereenkomst beschouwde: zij schreef het jacht in het register in en heeft in 2015 het jacht aan een derde verkocht en geleverd. Uit niets blijkt dat dit is gebeurd in het kader van executie op basis van een pandrecht. Met deze verkoop aan IMI werd de door Impex aan de curator verschuldigde koopprijs op 20 september 2012 opeisbaar. [appellanten] c.s. hebben niet voldoende onderbouwd dat op grond van de tussen Impex en Drettmann geldende afspraken van opeisbaarheid geen sprake is, omdat IMI niet als ‘eindkoper’ (memorie van grieven, randnummer 64) kan worden aangemerkt, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. 4.14 In plaats van er voor te zorgen dat IMI van de met Impex overeengekomen koopprijs van € 671.500,- het aan de curator nog verschuldigde bedrag van € 666.500,- zou betalen, hebben [appellanten] c.s. meegewerkt aan een betalingsconstructie die ertoe heeft geleid dat IMI de door haar verschuldigde kooprijs verrekende met haar vordering op IBI uit hoofde van de geldlening, terwijl alle betrokkenen wisten dan wel behoorden te weten te weten dat alleen bevrijdend aan de curator kon worden betaald. Het moet aan [appellanten] c.s. zonder meer duidelijk geweest zijn, als dat al niet de vooropgezette bedoeling was, dat de door Impex verschuldigde koopprijs niet zou worden voldaan en dat Impex geen verhaal meer zou bieden voor de vorderingen van de curator. De ontbinding en turboliquidatie van Impex kort na de transactie spreekt in dat opzicht boekdelen. 4.15 In deze omstandigheden heeft IMI niet bevrijdend aan Impex betaald. De vordering van de curator jegens IMI is op die primaire grondslag toewijsbaar. Daar komt bij dat IMI ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de curator door mee te werken aan de geschetste betalingsconstructie. Impex is niet alleen tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis tot betaling van de restant koopprijs, maar heeft ook onrechtmatig gehandeld door mee te werken aan de geschetste constructie. Van dit onrechtmatig handelen en tekortschieten valt IMI (en Impex) een rechtens relevant verwijt te maken. Dat is ook het uitgangspunt in juridische zin. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkheid niet tot deze vennootschap(pen) beperkt blijft. Het handelen van [appellant1] en [appellant3] levert een persoonlijke verplichting tot schadevergoeding op, omdat hen van hun handelingen en gedragingen worden als bestuurder van Impex ( [appellant1] ) en IMI ( [appellant3] ) hen persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Dat brengt mee dat [appellant1] en [appellant3] gehouden zijn de schade van de curator te vergoeden. Dat hun handelen tot schade heeft geleid in de door de curator gestelde omvang is door [appellanten] c.s. niet betwist. [appellanten] c.s. kunnen zich niet beroepen op verrekening (grief V en VII van [appellanten] c.s.) 4.16 [appellanten] c.s. hebben gesteld dat de curator niets van hen te vorderen heeft, omdat zijn vorderingen door verrekening wegvallen tegen hun hogere tegenvordering. Het gaat daarbij om de door Impex in 2012 aan hen gecedeerde vordering die [appellanten] c.s. in hun conclusie van repliek in reconventie in de procedure bij de rechtbank hebben gesteld op € 941.885,38, op basis van de specificatie in productie 19 bij die conclusie. Daarbij is in de processtukken in eerste aanleg slechts in algemene termen aangegeven dat het gaat om ‘kosten/verliesposten’ die voortvloeien uit de koopovereenkomst tussen Impex en Drettmann van 12 februari
- [appellanten] c.s. hebben de in productie 19 voorkomende kosten niet nader toegelicht en niet onderbouwd dat en in hoeverre die kosten een gevolg zijn van een tekortkoming van Drettmann of op welke andere grondslag die vordering is gebaseerd. Ook in de toelichting op de grieven is geen nadere feitelijke onderbouwing of toelichting gegeven en is volstaan met een verwijzing naar wat daarover in eerste aanleg is gesteld. [appellanten] c.s. schieten daarom tekort in de stelplicht die op hun rust. Voor zover aan de te verrekenen vordering ten grondslag is gelegd dat sprake is van een tekortkoming in verband met het bouwjaar van de motoren van het jacht (randnummer 86 van de memorie van grieven lijkt daarop te wijzen) is die grondslag ondeugdelijk, omdat voor het aannemen van een tekortkoming in verband daarmee onvoldoende is gesteld of gebleken (zie ook 4.8 van dit arrest). 4.17 Voor zover het beroep op verrekening is gestoeld op onrechtmatig handelen van de curator omdat hij verkoop van het jacht zou hebben tegengewerkt na 2011 en het op juridisch onhoudbare stellingen frustreren van [appellanten] c.s. (memorie van grieven, randnummer 86) strandt dat beroep eveneens op het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing. Het gaat dan kennelijk ook niet meer om schade van Impex, ter zake waarvan de vordering aan [appellanten] c.s. is gecedeerd, maar om ‘eigen schade’ van [appellanten] c.s. maar dat is gissen. 4.18 Het beroep op verrekening kan ook om andere redenen niet slagen. De curator heeft, onbestreden door [appellanten] c.s., aangevoerd dat het beroep op verrekening in artikel V.9 van de algemene voorwaarden van Drettmann is beperkt. Volgens dat artikel is verrekening alleen mogelijk, indien Drettmann de vordering heeft erkend of indien deze in rechte is vastgesteld. Dat doet zich niet voor. Daarnaast is volgens de curator de aansprakelijkheid van Drettmann voor de door [appellanten] c.s. gestelde schade in artikel VII.3 van de algemene voorwaarden uitgesloten, behoudens gevallen van opzet of grove schuld. Ook dat is door [appellanten] c.s. niet weersproken, waarbij ook niet is gesteld, laat staan onderbouwd, dat in de gegeven omstandigheden geen beroep op deze exoneratiebepaling kan worden gedaan. De curator heeft recht op € 666.500,- van IMI en van [appellant3] en [appellant1] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 oktober 2012 respectievelijk de wettelijke rente vanaf 20 september 2012, met de door hem aangebrachte beperkingen en maximeringen (grief A van de curator) 4.19 De curator heeft in zijn memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep zijn vorderingen verminderd. Op grond van artikel 129 Rv in verbinding met artikel 353 Rv is dat processueel toegestaan. Dat de schade van de curator als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellanten] c.s., in hoofdsom € 666.500,- ( het niet betaalde deel van de door Impex verschuldigde koopprijs) bedraagt is door hen niet bestreden en dat komt het hof juist voor. Zouden de gewraakte handelingen achterwege zijn gelaten, dan zou IMI de aan Drettmann gecedeerde vordering van Impex aan de curator hebben voldaan. 4.20 De vordering van de curator tot betaling van het restant van de koopprijs is op grond van de overeenkomst tussen Impex en Drettmann onderworpen aan Duits recht. Op grond van de tussen die partijen gemaakte afspraken is de vordering opeisbaar geworden op het moment dat Impex het jacht heeft verkocht aan IMI. De verkoop aan IMI door Impex kwalificeert als een verkoop aan een derde; de stelling van [appellanten] c.s. dat de vordering van de curator op Impex op 20 september 2012 niet opeisbaar is geworden, heeft het hof hiervoor al verworpen ( in 4.13). De curator heeft onweersproken gesteld dat Impex op dat moment al in verzuim verkeerde, zodat een nadere ingebrekestelling niet nodig was, vanwege de onterechte ontbindingsverklaring in september
- Op grond van artikel VI.1 van de algemene voorwaarden geldt in de verhouding tussen Impex en Drettmann een contractuele rente, zoals die door de curator is verwerkt in zijn vorderingen. De vordering van de curator op IMI vloeit niet voort uit een handelsovereenkomst naar Nederlands recht, ook al was de voor vordering van Impex op IMI die IMI niet bevrijdend aan Impex heeft voldaan dat wel het geval, zodat de vordering van de curator op IMI niet moet worden vermeerderd met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, maar met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, met ingang van de ingangsdatum die de curator in zijn vordering heeft opgenomen (5 oktober 2012). Ook [appellant1] en [appellant3] zijn hoofdelijk gehouden om € 666.500,-, maar dan vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 september 2012, aan de curator te voldoen. In het dictum (‘Beslissing’) zal dat worden gepreciseerd. De vraag of Impex en niet Drettmann eigenaar van het jacht is geworden is niet van belang (grieven II –IV van [appellanten] c.s.) 4.21 [appellanten] c.s. hebben in hun grieven in de kern genomen betoogd dat Drettmann zich de eigendom van het jacht niet heeft kunnen voorbehouden omdat Impex - door levering in Taiwan door Vision en verkrijging door middel van de BoS en BC- eigenaar van het jacht is geworden en bevoegd was om over het jacht het jacht te beschikken (lees: verpanden en aan IMI over te dragen). Het hof heeft hiervoor geoordeeld op grond waarvan IMI en [appellant1] en [appellant3] aan de curator moeten betalen. De beslissingen jegens [appellanten] c.s. worden niet anders, ook indien juist zou zijn dat het door Drettmann bedongen eigendomsvoorbehoud goederenrechtelijk geen effect heeft gesorteerd en Impex eigenaar van het jacht zou zijn geworden. Dat laat onverlet dat Impex de tweede helft van de koopprijs aan Drettmann moest betalen en dat is met het hiervoor geschetste en beoordeelde handelen van IMI en [appellanten] c.s. op onrechtmatige wijze gefrustreerd. Een uitgewerkt en gemotiveerd oordeel over de goederenrechtelijke aspecten van de zaak, zoals die door [appellanten] c.s. zijn benoemd, is daarmee zonder belang. Bij gebrek aan dat belang falen de grieven. De grieven van de curator over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten (grief B1 en B2 van de curator en grief VIII van [appellanten] c.s.) slagen niet 4.22 De rechtbank heeft aan de curator toegewezen een vordering op IMI tot betaling van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 5.107,
- [appellanten] c.s. hebben in hun grief VIII daartegen bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar bouwt alleen voort op de stelling dat IMI niet tot betaling van de hoofdsom jegens de curator is gehouden. Die stelling is verworpen, zodat daarmee ook het bezwaar tegen de toewijzing van deze kosten wegvalt. Dat betekent dat de curator, wat betreft IMI, in ieder geval recht houdt op dit bedrag. Dat geldt niet voor de door de rechtbank toegewezen wettelijke rente met ingang van 2 november 2016: de curator heeft immers zijn vordering in het incidenteel hoger beroep wat betreft de ingangsdatum gewijzigd in 13 december
- 4.23 Volgens de curator heeft hij recht op een hogere vergoeding voor buitengerechtelijke kosten jegens IMI en ook jegens [appellant1] en [appellant3] . Wat hen betreft in ieder geval ook op het jegens IMI toegewezen bedrag van € 5.107,
- 4.24 De curator heeft op verschillende gronden betoogd dat de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het bewijsbeslag en de - door de rechtbank afgewezen - inzagevordering als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a, b of c BW. Dat de rechtbank die inzagevordering heeft afgewezen doet daaraan volgens de curator niet af. 4.25 Het hof volgt de curator niet in zijn stelling dat de door hem gemaakte kosten kunnen worden toegewezen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. Volgens de curator heeft hij het bewijsbeslag gelegd en inzage gevorderd in de in beslag genomen zaken in verband met zijn aanvankelijke idee om het jacht te revindiceren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt ziet het hof niet in dat het redelijk is de daarmee gemoeide kosten ten laste van [appellanten] c.s. te brengen, nu de curator van die revindicatie heeft afgezien, noch op grond waarvan, dat zo zijnde, in dat licht sprake is van kosten ter voorkoming of beperking van schade. De vorderingen jegens IMI voor zover een bedrag van € 5.107,50 te boven gaande en [appellant1] en [appellant3] zijn niet op deze grond toewijsbaar. 4.26 Op zich kunnen de kosten in verband met het bewijsbeslag en met de inzagevordering worden geschaard onder artikel 6:96 lid 2 sub b BW, mits voldaan is aan dubbele redelijkheidstoets: waren de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk en zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. In beginsel komen de kosten voor volledige vergoeding in aanmerking als aan deze eisen is voldaan, behoudens in geval het gaat om kosten waarvoor artikel 241 Rv een vergoeding pleegt in te sluiten (zie artikel 6:96 lid 3 BW). In dat geval verschieten de kosten van kleur en komen zij, bijzondere omstandigheden daargelaten, in beginsel niet meer voor aparte vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor zover het gaat om buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het hof verwerpt in verband met de toepassing van artikel 241 Rv de stelling van de curator dat geen sprake is van subjectieve cumulatie en dat [appellant3] , [appellant1] en IMI steeds als derden jegens elkaar zijn te beschouwen. Het hof begrijpt die stelling zo dat de gevorderde advocaatkosten wel voor vergoeding in aanmerking komen, omdat geen sprake is van proceskosten. Het bewijsbeslag en de inzagevordering zijn tegen [appellanten] c.s. ingesteld, zodat zich naar het oordeel van het hof niet de door de curator bedoelde situatie voordoet, waarbij een procespartij de proceskosten waarin hij is veroordeeld verhaalt op een derde. 4.27 Naar het oordeel van het hof zijn de werkzaamheden waarvoor de curator een vergoeding vraagt gericht op instructie van de zaak als bedoeld in artikel 241 Rv. Er is geen aanleiding daarover anders te oordelen nu de inzagevordering is afgewezen. Dat brengt mee dat die werkzaamheden niet voor aparte vergoeding in aanmerking komen. Voor de kosten van het bewijsbeslag krijgt de curator een vergoeding conform het liquidatietarief, zoals hierna in 4.2 zal blijken. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg wordt gewijzigd ( grief VIII van [appellanten] c.s. en grief C van de curator); de proceskostenveroordeling in het incident en in reconventie blijven ongewijzigd (grief B3 en B4 van de curator). 4.28 De curator heeft gesteld dat de rechtbank bij bepaling van het salaris advocaat van de curator ten onrechte niet is uitgegaan van 5 punten. Die klacht is terecht. Het hof begrijpt dat die klacht ook is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de curator om [appellanten] c.s. in de beslagkosten te veroordelen (als onderdeel van de proceskosten). Het stond de rechtbank op zich vrij om van het liquidatietarief af te wijken, maar het hof ziet daartoe geen aanleiding. Het hof zal de proceskostenveroordeling (in oorspronkelijk conventie) dienovereenkomstig aanpassen (overeenkomstig het liquidatietarief). Het hof ziet in de afwijzing van de inzagevordering geen grond om het bewijsbeslag niet via het liquidatietarief te vergoeden (1 punt). Het hof zal in aanvulling daarop ook de kosten van vertaling van processtukken en producties, die de curator op verzoek van [appellanten] c.s. en de rechtbank heeft gemaakt, zijnde een bedrag van € 2.595,16 (excl. btw) toewijzen. 4.29 Tegen de afwijzing van de inzagevordering en, als keerzijde daarvan, de opheffing van het beslag en de veroordeling van de curator om de in beslag genomen stukken aan [appellanten] c.s. terug te geven is niet gegriefd. Die beslissing blijft dus in stand. Het hof ziet om die reden geen aanleiding voor een andere proceskostenveroordeling in het incident en in oorspronkelijk reconventie. Grief D van de curator behoeft geen afzonderlijke bespreking; [appellanten] c.s. hebben geen belang bij hun klacht dat zij in eerste aanleg niet zijn geïnformeerd over een rechterswisseling. 4.30 De door de curator in grief D opgenomen bezwaren (in de nummers 43, 84 en 86 van de memorie van grieven in het incidenteel hoer beroep) behoeven geen afzonderlijke beoordeling, omdat die worden geacht besloten te liggen in wat het hof hiervoor over de andere grieven (met name in 4.13 en 4.20 over de opeisbaarheid) heeft geoordeeld. Het hof handhaaft de uitvoerbaar bij voorraad verklaring (grief IX van [appellanten] c.s.) 4.31 [appellanten] c.s. hebben hun verzoek om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren gebaseerd op de stelling dat er een (non)restitutierisico is. Die niet nader onderbouwde stelling is voor het hof niet voldoende om de veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof heeft daarbij betrokken de toezegging van de curator om een eindarrest van het hof niet eerder te executeren dan nadat het arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Overig 4.32 Grief I van [appellanten] c.s. bevat in randnummer 25 nog de klacht dat zij niet zijn geïnformeerd over de rechterswisseling in de procedure bij de rechtbank na de comparitie van partijen. Mocht dat zo zijn, dan is die klacht is terecht, maar dat brengt niet mee dat het vonnis van de rechtbank om die reden moet worden vernietigd en andere beslissingen gegeven moeten worden. [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep hun standpunten opnieuw ten overstaan van de hofcombinatie die dit arrest wijst naar voren kunnen brengen en hebben dus in zoverre geen inhoudelijk belang bij de grief. Om die reden faalt de grief. 5De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 5.1 De grieven in het principaal hoger beroep falen en de grieven in het incidenteel hoger beroep slagen gedeeltelijk. Het hof zal het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigen en voor het overige bekrachtigen. 5.2 Het hof zal in het principaal hoger beroep [appellanten] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de curator veroordelen. Die kosten stelt het hof vast op € 5.517,- voor verschotten (griffierecht) en op € 9.356,- voor salaris advocaat (2 punten in tarief VII). Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in verband met het verweer van de curator in het ingetrokken voorwaardelijk bevoegdheidsincident. De kosten in het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6De beslissing Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: - verklaart [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de vonnissen van 29 juni 2016 en 15 februari 2017; - verwerpt het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de vonnissen van 4 oktober 2017 en 18 april 2018; - bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 december 2018 voor zover het betreft wat is beslist in het dictum van dat vonnis in 4.1, 4.2, 4.7, 4.8, 4.9 en 4.10, vernietigt dit vonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht; - veroordeelt IMI tot betaling aan de curator van € 666.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 oktober 2012, met bepaling dat de vordering is gemaximeerd tot een bedrag gelijk aan in hoofdsom € 666.500,- te vermeerderen met de contractuele rente gelijk aan de basisrente als vastgesteld door de Duitse Bundesbank op grond van § 247 lid 2 BGB + 8 procentpunten per jaar, te rekenen vanaf 20 september 2012, tot aan de dag van betaling; - veroordeelt [appellant1] en [appellant3] , in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van € 666.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 september 2012 tot aan de dag van betaling, met bepaling dat hetgeen aan de curator is voldaan ter inlossing van de vordering op IMI, in mindering strekt op hetgeen waartoe de curator in het licht van deze vordering is gerechtigd; - veroordeelt IMI tot betaling van € 5.107,50 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 december 2017 tot de dag van betaling; - veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure bij de rechtbank in de hoofdzaak in conventie, vastgesteld op € 1.548,00 aan griffierecht, € 84,14 (kosten dagvaarding) en € 15.495, - aan salaris advocaat en op € 2.595,16 (excl. btw) vanwege vertaalkosten; - veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 5.517,- voor verschotten en op € 9.356,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; - compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; - verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M.M.A. Wind en M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 december
- ECLI:NL:HR:2020:984, ECLI:NL:HR:2014:2627, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758