GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.267.748/01 CJIB-nummer : 217401055 Uitspraak d.d. : 9 december 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 19 augustus 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 25 november
- De gemachtigde van de betrokkene is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] . De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 mei 2018 om 15:05 uur op het Ruiterskwartier in Leeuwarden met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
- In hoger beroep voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat de betrokkene heeft betwist een bord te hebben genegeerd. Nu het betreffende bord ook niet op de foto van de gedraging zichtbaar is, moet in lijn met jurisprudentie van het hof de aanwezigheid daarvan blijken uit aanvullende stukken. Dat is hier niet het geval. De advocaat-generaal heeft twee schouwrapporten ingebracht maar dat had de officier van justitie al behoren te doen of de kantonrechter had dit moeten gelasten. De kantonrechter en de officier van justitie hebben nu, zonder enige onderbouwing daartoe in het dossier, overwogen dat aan de bebording niet getwijfeld hoeft te worden. Dat is in strijd met jurisprudentie van het hof en daarom kunnen deze beslissingen niet in stand blijven.
- In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
- Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep de juistheid van de bebording heeft betwist.
- De motivering van de beslissing van de officier van justitie houdt onder meer in: “Daarnaast is het de officier van justitie bekend dat de opsporingsinstantie voor aanvang van elke controle de bebording en/of belijning op aanwezigheid en voldoende waarneembaarheid voor het verkeer controleert. U had daarom op de hoogte kunnen zijn van de aldaar geldende verkeerssituatie. De officier van justitie heeft op basis van de beschikbare informatie, de inhoud van uw beroepschrift en het gesprek een beslissing genomen. Er wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de waarneming van de verbalisant. Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de u eerder toegestuurde stukken.”
- In het beroep tegen deze beslissing heeft de gemachtigde - onder andere - aangevoerd dat de officier van justitie stelt dat de bebording vlak voor de vermeende gedraging is gecontroleerd, maar ieder bewijs daarvan ontbreekt. Ook na het instellen van beroep bij de kantonrechter zijn geen documenten verstrekt. In lijn met jurisprudentie van het hof dient de beschikking dan ook te worden vernietigd.
- Het hof stelt vast dat ten tijde van de beslissing van de officier van justitie zich in het dossier een foto van de gedraging bevond. Op deze foto is de achterzijde van het voertuig van de betrokkene zichtbaar. Op de foto is geen bord C12 zichtbaar.
- In bijlage L van de Beleidsregels, zoals die ten tijde van de oplegging van de sanctie luidde, is het toepasselijk kader opgenomen voor, zoals hier, digitale handhaving door buitengewoon opsporingsambtenaren op categorie C borden. Als voorwaarde waaraan bij de uitoefening van de bevoegdheid voldaan moet worden, staat daarin onder meer vermeld dat het C-bord zichtbaar op de foto moet staan.
- Het hof heeft in het arrest van 14 juni 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:5537) geoordeeld dat het niet zichtbaar zijn van het C-bord op de foto op een andere wijze kan worden ondervangen. Wanneer anders dan op grond van de foto toch blijkt dat het C-bord aanwezig was, kan de gedraging worden vastgesteld.
- In het dossier bevindt zich verder een door de officier van justitie opgevraagd aanvullend proces-verbaal van 16 november
- Bij dit proces-verbaal zijn acht foto’s van de ter plaatse aanwezige bebording gevoegd en is eveneens een plattegrond van de verkeerssituatie ter plaatse bijgevoegd. In dit proces-verbaal wordt in het algemeen verklaard over de reden van instellen van de geslotenverklaring en de daartoe geplaatste borden. Er wordt niet specifiek verklaard over de aanwezigheid van de bebording op of omstreeks de datum van de gedraging, zijnde 25 mei
- Voor het eerst in hoger beroep zijn door de advocaat-generaal schouwrapporten overgelegd. Het betreft twee rapporten van 24 mei 2018 en 1 juni 2018 die zijn voorzien van foto's van de bebording C12 op het Ruiterskwartier.
- Het hof stelt vast dat ten tijde van de beslissing van de officier van justitie geen specifieke informatie over de aanwezigheid van de betreffende bebording in het dossier aanwezig was, terwijl dat - zoals hiervoor onder
- en
- is overwogen - voor het vaststellen van de gedraging wel vereist is. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb voldoet.
- Door de beslissing in stand te laten heeft de kantonrechter dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
- Voor wat betreft het verweer van de gemachtigde dat de betrokkene betwist een bord te hebben genegeerd, wordt overwogen dat uit de door de advocaat-generaal overgelegde schouwrapporten volgt dat op 24 mei 2018 en 1 juni 2018 de borden C12 op het Ruiterskwartier in Leeuwarden aanwezig waren én duidelijk zichtbaar waren voor verkeersdeelnemers. Dat deze schouwrapporten door de ambtenaar niet zijn getekend, geeft geen aanleiding te twijfelen aan de informatie in die schouwrapporten. Dat geldt eveneens voor de op de foto’s vermelde datum en tijd.
- Op basis van de informatie in het dossier ziet het hof geen reden eraan te twijfelen dat de geslotenverklaring op juiste wijze was aangegeven. Nu de gedraging voor het overige niet wordt ontkend, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.
- De gemachtigde voert verder aan dat beoordeeld dient te worden of de redelijke termijn van berechting uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden.
- In navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters heeft het hof bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld.
- Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in zowel eerste aanleg als in hoger beroep niet is overschreden.
- Tot slot klaagt de gemachtigde erover dat de kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
- Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking.
- Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.