Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006756-18 Uitspraak d.d.: 14 december 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 november 2018 met parketnummer 18-920232-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.P.E.M. Pover, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 28 november 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde (beide: diefstal in vereniging) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft geoordeeld en beslist. Daarom zal het vonnis worden bevestigd, met dien verstande dat het hof bewijsmiddel 6 zal verbeteren. Verbetering bewijsmiddel 6: Als bewijsmiddel 6 is het volgende opgenomen: Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 november 2018, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte: Op 12 november 2018 was ik samen met een vriend, [verdachte] , in [plaats1] . We zijn samen met de trein naar [plaats1] gegaan. [verdachte] was de hele avond bij mij. Ik droeg een zwarte jas en een Nike pet en [verdachte] droeg een groene jas. Deze verklaring is echter niet afgelegd door verdachte, maar door de medeverdachte [medeverdachte] . Dit betreft een kennelijke misslag die het hof als volgt zal verbeteren: Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 november 2018, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte]: Op 12 november 2018 was ik samen met een vriend, [verdachte] , in [plaats1] . We zijn samen met de trein naar [plaats1] gegaan. [verdachte] was de hele avond bij mij. Ik droeg een zwarte jas en een Nike pet en [verdachte] droeg een groene jas. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier, en op 14 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.