GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.252.068 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, sector kanton, 6741903) arrest van 15 december 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eisende partij, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J. du Bois, tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde partij, hierna: Achmea, advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 juli 2020 hier over. 1.2. Het verdere verloop blijkt uit: - de akte van 9 november 2020 van [appellant] met aanvullende producties 1 tot en 9; - het proces-verbaal van de zitting van 9 november 2020 (hierna: de zitting) en de spreekaantekeningen namens [appellant] . 1.3. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1. Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het (bestreden) vonnis van 19 september 2018. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep Schets van de zaak en de beslissing van de rechtbank 3.1. [appellant] heeft op of omstreeks 18 augustus 2015 een auto van het merk Mercedes Benz gekocht. Hij heeft deze per 19 augustus 2015 bij Achmea verzekerd tegen (onder meer) het risico van diefstal, in welk geval recht bestaat op vergoeding van de aanschafwaarde. Op 10/11 oktober 2016 is genoemde auto (hierna ook: de Mercedes Benz) gestolen. Achmea heeft geweigerd de schade te vergoeden omdat [appellant] volgens haar, kort gezegd, wisselende en aantoonbaar onjuiste informatie en/of verklaringen omtrent de koop en de koopprijs heeft afgelegd zodat sprake is van misleiding in de zin van artikel 7:941 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW). Achmea heeft [appellant] daarom opgenomen in haar Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister (EVR). [appellant] heeft Achmea vervolgens gedagvaard en onder meer gevorderd dat Achmea € 19.000 zal betalen als vergoeding voor de door hem als gevolg van de diefstal van de Mercedes Benz geleden schade en dat Achmea zijn naam zal verwijderen uit het EVR. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen omdat Achmea terecht een beroep heeft gedaan op artikel 7:941 lid 5 BW. Met zijn bezwaren (grieven) tegen dit vonnis legt [appellant] in dit hoger beroep opnieuw de vraag voor of sprake is van opzet tot misleiding in de zin van genoemde wetsbepaling (grieven 1 tot en met 3). [appellant] erkent dat de door hem aan Achmea gegeven informatie deels onjuist is maar betwist dat sprake is van opzet tot misleiding. Hij heeft zich gebaseerd op informatie van zijn vader, die bij de koop van de auto ook aanwezig was en die de koopprijs contant betaalde. [appellant] heeft zich in zijn gesprekken met de door Achmea ingeschakelde experts vergist. Toen hij dit ontdekte heeft hij, per mail van 24 november 2016, Achmea openheid van zaken gegeven. Opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:941 lid 5 BW 3.2. Artikel 7:941 BW heeft betrekking op de medewerkingsplicht na verwezenlijking van het risico. Artikel 7:941 lid 2 BW bepaalt dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde, na de verwezenlijking van het verzekerde risico, binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden dienen te verschaffen die voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Artikel 7:941 lid 5 BW bepaalt dat het recht op uitkering vervalt als de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 niet nakomt “met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt” Daarbij gaat het in dit geval om een medewerkingsplicht die van belang is voor de beoordeling door Achmea van haar gehoudenheid tot uitkering nadat het risico is verwezenlijkt. Bij de beantwoording van de vraag of [appellant] met de schending van de in artikel 7:941 lid 2 BW bedoelde verplichting het opzet heeft gehad Achmea te misleiden, dient te worden beoordeeld of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.Op Achmea rusten stelplicht en bewijslast van haar stelling dat sprake is van opzet tot misleiding in die zin. Welke informatie gaf [appellant] aan Achmea en waarom/in hoeverre was deze onjuist? 3.3. Het hof zal hierna eerst – in aansluiting op de door de rechtbank vastgestelde feiten – nagaan welke informatie [appellant] heeft gegeven en onderzoeken of en in hoeverre deze onjuist is. 3.4. Na de aangifte van diefstal op 11 oktober 2016 heeft [appellant] een formulier van Achmea (“Verklaring inzake diefstal object”) ingevuld en ondertekend. Hierop heeft hij ingevuld dat de aankoopprijs van de Mercedes Benz € 23.850 was. Dit bedrag is ook vermeld op een door [appellant] ondertekende “Akkoordverklaring” van Achmea van 24 oktober 2016. Een medewerker van Achmea, [B] , heeft [appellant] op 24 oktober 2016 thuis bezocht en aanvullende vragen gesteld. Het daarvan door [B] opgemaakte verslag is niet door [appellant] betwist. Blijkens dat verslag verklaarde [appellant] tegenover [B] dat hij de gestolen auto had gekocht van [C] te [D] en dat hij daarbij een auto (hierna: Peugeot) heeft ingeruild. [appellant] heeft een kopie van een koopovereenkomst met [C] aan [B] overgelegd. Op die koopovereenkomst staat een verkoopprijs van € 23.850 en dat een Peugeot is ingeruild voor een prijs van € 3.500. Verder heeft [appellant] aan [B] verklaard dat hij “het resterende bedrag van ruim EUR 20000,00 contant” heeft betaald. In het verslag van [B] staat verder als verklaring van [appellant] : “Ik zie nu ook pas dat er geen datum op de koopovereenkomst staat. U kunt op de kentekenpas zien wanneer ik de auto op naam heb gekregen.” [appellant] heeft op de zitting verklaard dat hij deze overeenkomst zelf heeft opgesteld en dat [C] deze op 22 oktober 2016, dus twee dagen voor het gesprek met [B] , in zijn bijzijn in een Fletcher hotel heeft ondertekend en dat hij deze overeenkomst heeft opgemaakt omdat Achmea bewijsstukken verlangde. 3.5. [B] schrijft in genoemd verslag van 24 oktober 2016 dat er wellicht reden is om nader onderzoek te doen. Vervolgens heeft [E] een toedrachtonderzoek uitgevoerd en heeft hij op 3 november 2016 met [appellant] gesproken. De daarvan opgestelde verklaring is aan [appellant] voorgelezen en door hem ondertekend. [appellant] heeft tegenover [E] verklaard dat hij € 20.350 heeft betaald voor de auto, dat hij daarbij zijn vorige auto heeft ingeruild en genoemd bedrag heeft bijbetaald en dat hij dit bedrag contant heeft betaald. Over de datum van de koopovereenkomst is hem gevraagd of deze bij de aankoop van de auto is opgemaakt. Daarop heeft [appellant] verklaard : “Ja dat klopt. De overeenkomst is bij aankoop door ons beiden opgemaakt en ondertekend. De overeenkomst is bij de verkoper opgemaakt.” Tijdens het interview door [E] is [appellant] ermee geconfronteerd dat de Mercedes Benz op Marktplaats kort tevoren te koop werd aangeboden voor € 18.999. Hierop heeft [appellant] verklaard: “Vervolgens is met inruil de prijs €20350 overeengekomen. De auto stond misschien voor minder te koop, maar dit was niet zijn uiteindelijke verkoopprijs. Ik heb onderhandeld uiteindelijk overeengekomen met 23850 min inruil auto.” [appellant] heeft na dit gesprek, bij aangetekende brief van 14 november 2016, aan Achmea de overeenkomst en een kwitantie gestuurd met de tekst “Volledige bedrag contant betaald”. De cijfers op deze kwitantie zijn niet steeds helemaal duidelijk. Volgens [appellant] moet dit zo gelezen worden dat daar staat € 23.850 -/- € 3.500 en als eindbedrag € 20.350. Achmea gaat hier ook van uit. [appellant] heeft verder op de zitting verklaard dat deze kwitantie in zijn aanwezigheid door [C] , het was op diens werk in Amsterdam, is geschreven en ondertekend. Op de kwitantie staat de datum 26 oktober 2016. 3.6. Bij e-mail van 24 november 2016 heeft [appellant] aan Achmea bericht dat hij bij het doornemen van het dossier zag dat er een vergissing is gemaakt en dat hij € 20.350 in plaats van € 23.850 voor de Mercedes betaalde en “Deze vergissing is tot stand gekomen door de waarde van de inruil per abuis op te tellen in plaats van af te trekken.” 3.7. Op 13 februari 2017 heeft de verkoper, [C] , bij een notaris een verklaring afgelegd over de verkoop van de Mercedes Benz. In die verklaring staat onder meer dat de auto is verkocht voor € 19.000 en dat deze koopsom deels in contanten is betaald (€ 16.500) en deels door de inruil van een Peugeot waaraan door partijen een waarde van € 2.500 is toegekend. [C] verklaart verder dat van deze transactie niet direct een schriftelijke overeenkomst is opgemaakt en dat dat op 22 oktober 2016 is gebeurd en dat daarin per abuis een verkeerde koopsom is genoemd doordat “onder andere de inruilwaarde ten onrechte werd opgeteld in plaats van afgetrokken.” 3.8. Het hof begrijpt het standpunt van [appellant] aldus dat hij vindt dat zijn verklaringen in het gespreksverslag van [B] en het rapport van Drechsel niet gebruikt mogen worden, maar de daartoe aangevoerde gronden zijn niet duidelijk. [appellant] beroept zich op het feit dat Nederlands niet zijn moedertaal is en dat de nuance van wat tijdens de verkoop en de gesprekken met Achmea is besproken verloren is gegaan, maar daaruit volgt niet dat de in het verslag/rapport van [B] en [E] neergelegde verklaringen niet door hem zijn afgelegd. Voor zover [appellant] bedoelt dat Achmea hem niet heeft geïnformeerd over het advies van [B] om nader onderzoek te verrichten en evenmin over dat nader onderzoek, faalt zijn betoog reeds omdat Achmea daartoe niet verplicht of gehouden was. Bovendien staat, zoals overwogen, vast dat [appellant] heeft verklaard wat in het verslag van [B] en de door hem ondertekende verklaring (opgesteld door [E] ) staat. 3.9. Het hof stelt vast dat [appellant] meermalen onjuiste informatie heeft gegeven over de koopprijs van de auto. [appellant] erkent dit maar betoogt dat hij met zijn e-mail van 24 november 2016 uiteindelijk wel de juiste verkoopprijs heeft genoemd. Het hof kan hem daarin niet volgen. [appellant] heeft op de zitting allereerst betoogd dat hij geheugenproblemen heeft en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.