Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000311-16 AV-nummer: 001733-19 Uitspraak d.d.: 22 januari 2020 Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken op het bezwaarschrift ex artikel 22g, derde lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (thans artikel 6:6:23, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering) van de veroordeelde: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] , hierna te noemen veroordeelde. Procesgang Namens de veroordeelde is een bezwaarschrift ingediend tegen de kennisgeving dat de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heeft bevolen. Dit bezwaarschrift, gedateerd 11 november 2019, is kort daarna ter griffie ontvangen. Het bezwaarschrift is aan de orde geweest op de openbare terechtzitting van 22 januari 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de veroordeelde, bijgestaan door mr. E. Wiersma, advocaat te Amsterdam. Beoordeling Met de op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507) in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) is artikel 22g (oud) van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:23 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van overgangsrecht moet het bezwaarschrift worden aangemerkt als bezwaarschrift als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd is het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, onmiddellijke werking heeft. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is op het bezwaarschrift te beslissen. De omstandigheid dat het bezwaarschrift vóór 1 januari 2020 is ingediend doet hieraan niet af. Overeenkomstig artikel 6:6:1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland. BESLISSING Het hof: Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het bezwaarschrift en verwijst de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland. Aldus gewezen door mr. E. de Witt, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier, en op 22 januari 2020 ter openbare zitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.