Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005640-17 AV-nummer: 001644-19 Uitspraak d.d.: 22 januari 2020 Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van de advocaat-generaal ex artikel 77dd, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (thans 6:6:21, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering) tegen: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] hierna te noemen veroordeelde. Procesgang De veroordeelde is bij arrest van 28 maart 2018 -voor zover hier van belang- onherroepelijk veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden gesteld. Bij vordering van 29 oktober 2019 vordert de advocaat-generaal dat het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf zal gelasten. De vordering is aan de orde gesteld op de terechtzitting van 22 januari 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens de veroordeelde mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Beoordeling Met de op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507) in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) is artikel 77dd (oud) van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:21 (nieuw) in verbinding met artikel 6:1:14, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van overgangsrecht moet de vordering worden aangemerkt als vordering als bedoeld in het eerste lid, onder a, van artikel 6:6:21. Artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd is het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, onmiddellijke werking heeft. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. De omstandigheid dat de vordering vóór 1 januari 2020 is ingediend doet hieraan niet af. Overeenkomstig artikel 6:6:1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland. BESLISSING Het hof: Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland. Aldus gewezen door mr. E. de Witt, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier, en op 22 januari 2020 ter openbare zitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.