Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001589-20 Uitspraak d.d.: 21 december 2020 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2020 met parketnummer 05-880339-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963, wonende te [woonplaats] , thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentie] . Het hoger beroep De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens betrokkene door zijn raadsvrouw, mr. A. van der Poel, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. De vordering van het Openbaar Ministerie De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.927,90 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.202,90. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.768,30 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft in hoger beroep bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een lager bedrag dan de rechtbank heeft gedaan. Zij heeft daartoe gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen die in rechte zijn toegekend, in mindering moeten worden gebracht op het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft een betalingsregeling getroffen met het Centraal Justitieel Incassobureau en hij heeft inmiddels tweemaal een maandbedrag van € 150,00 betaald ten behoeve van de benadeelde partijen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat op basis van de aangifte dient te worden uitgegaan van een weggenomen bedrag van in totaal € 10.650,00. Ook verzoekt de raadsvrouw het hof om de waarde van twee weggenomen sieraden die in de aangifte in guldens is uitgedrukt, om te rekenen naar euro’s. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij vonnis van rechtbank Gelderland van 19 maart 2020 (parketnummer 05-880339-17) terzake van diefstal (feit 1), diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 2, 4, 7, 8, 11, 16, 19 en 20), poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 5 primair, 6 primair, 9 primair, 10 primair, 13 primair, 14 primair, 15 primair, 17 primair, 18 primair, 21 primair en 22 primair) en oplichting (feit 12) veroordeeld. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het procesdossier, waaronder het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Sr” (hierna: het ontnemingsrapport) is gebleken dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Wederrechtelijk verkregen voordeel feit 4, zaak 8, parketnummer 05/880339-17 Op 11 april 2017 heeft [benadeelde 1] aangifte gedaan van een gekwalificeerde diefstal uit haar woning aan de [adres 1] , gepleegd op 11 april 2017 tussen 12:45 uur en 13:00 uur. Hierbij zijn contante bedragen en sieraden weggenomen. De rechtbank heeft in de strafzaak met parketnummer 05/880339-17 de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 13.000,00. Voor wat betreft het bedrag aan weggenomen contanten heeft de benadeelde volgens het proces-verbaal van aangifte verklaard dat het om een totaalbedrag van circa € 10.650,00 ging. De rechtbank is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel echter uitgegaan van een bedrag van € 14.650,00. Dit bedrag volgt uit de aan het proces-verbaal van aangifte gehechte goederenbijlage en de schriftelijke verklaring van de benadeelde. Daarom ziet het hof geen reden om te twijfelen aan het door de rechtbank vastgestelde totaalbedrag. Het hof heeft verder kennis genomen van het door benadeelde partij [benadeelde 1] in hoger beroep ingediende wensenformulier van 3 december 2020. Hierin heeft de benadeelde te kennen gegeven haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te verlagen met een bedrag van € 3.500,00. Benadeelde zou kort geleden contant geld hebben gevonden dat deel uitmaakt van het in haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding benoemde geldbedrag. Nu de benadeelde heeft aangegeven de schadevergoeding te willen verlagen, schat het hof het weggenomen geld op (€ 14.650,00 minus € 3.500,00 =) € 11.150,00. Voor wat betreft het tevens in het proces-verbaal van aangifte benoemde bedrag aan weggenomen sieraden is het hof met de raadsvrouw van oordeel dat het bedrag van de waarde van twee gouden ringen, dat in totaal neerkomt op 1.325 gulden, dient te worden omgerekend naar euro’s. Het hof hanteert voor het omrekenen de officiële koers, wat betekent dat 1 euro gelijk staat aan 2,20371 gulden. Aan de hand van deze formule stelt het hof het (afgeronde) bedrag aan voornoemde weggenomen sieraden op (1.325,00 / 2,20371 =) € 601,26. Samen met de bedragen van de overige in de aangifte genoemde weggenomen sieraden komt het hof tot een totaalbedrag van € 1.221,26. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 28.978,93. Het hof komt als volgt tot deze schatting: Opbrengsten [verdachte] Contant geld Sieraden [adres 2] [benadeelde 2] (feit 1, zaak 1) € 200,00 [adres 3] [benadeelde 3] (feit 2, zaak 4) € 1.400,00 [adres 4] [benadeelde 4] (feit 8, zaak 22) Horloge ter waarde van € 1.450,00 Subtotaal € 1.600,00 € 1.450,00 [verdachte] en [mededader] [adres 1] [benadeelde 1] (feit 4, zaak 8) € 11.150,00 Sieraden ter waarde van € 1.221,26 [adres 5] [benadeelde 5](feit 7, zaak 11) € 16.000,00 € 13.640,00 [adres 6] [benadeelde 6] (feit 12, zaak 26) € 3.500,00 [adres 7] [benadeelde 7] (feit 19, zaak 33) Sieraad ter waarde van € 2.000,00 [adres 8] [benadeelde 8] (feit 20, zaak 34) € 4.500,00 Subtotaal € 35.150,00 € 16.861,26 De rechtbank heeft in de strafzaak van de betrokkene met parketnummer 05/880339-17 telkens het medeplegen met mededader [mededader] aangenomen. Op basis van de bewijsmiddelen in het vonnis acht de rechtbank ook aannemelijk dat de betrokkene telkens de helft van het voordeel heeft genoten. Het hof is ook van oordeel dat de opbrengsten en de kosten pondsgewijs over de betrokkene en zijn mededader [mededader] dienen te worden verdeeld. De totale opbrengst bedraagt (€ 35.150,00 + € 16.861,26 =) € 52.011,26. Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat het voordeel van (€ 52.011,26 / 2 =) € 26.005,63 voor rekening van de betrokkene komt. Voor wat betreft het feit gepleegd aan de [adres 2] is alleen de betrokkene veroordeeld. Voor wat betreft de feiten gepleegd aan de [adres 3] en [adres 4] is de betrokkene veroordeeld voor medeplegen, maar niet samen met [mededader] . Nu niet is gebleken wie de mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.