GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 19/00368 uitspraakdatum: 11 februari 2020 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2019, nummer LEE 17/4441, ECLI:NL:RBNNE:2019:488, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Inspecteur heeft een informatiebeschikking genomen met betrekking tot de voor het jaar 2013 aan belanghebbende op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag waarop die uitspraak is verzonden, aan het informatieverzoek te voldoen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft in haar aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013 de aankoopprijs van het pand aan de [a-straat] 2 te [Z] (hierna: het pand) opgenomen bij de grondslag ter bepaling van haar inkomen uit sparen en beleggen. 2.2. Belanghebbendes aangifte is te zamen met die van haar echtgenoot [A] namens de Inspecteur in behandeling genomen door drs. [B] ( [B] ). In verband met de behandeling van deze aangiften heeft [B] een brief met dagtekening 2 februari 2016 gestuurd aan administratiekantoor [C] . In deze brief zijn vragen gesteld met betrekking tot het gebruikelijk loon, privégebruik van de auto, bronbelasting en voorkoming van dubbele belasting in verband met buitenlands onroerend goed. Na beantwoording van deze brief door [D] ( [D] ) heeft [B] een nadere vragenbrief met dagtekening 7 april 2016 gestuurd, die [D] bij brief van 28 april 2016 heeft beantwoord. Hierbij heeft hij nadere informatie verstrekt over een managementovereenkomst met L&B Interim Management. Verder heeft afstemming plaatsgevonden over het gebruikelijk loon en de bronbelasting. 2.3. Op 8 juli 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden, waarbij [D] , belanghebbendes echtgenoot, [E] en [B] aanwezig waren. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [B] een brief met dagtekening 18 juli 2016 aan Administratiekantoor [C] gestuurd. Onder het kopje „2. Resultaat uit overige werkzaamheden mevrouw [X] ” schreef [B] : „Aan het eind van de bespreking hebben wij kort gesproken over [a-straat] 2 te [Z] . De heer [A] heeft aangegeven dat het pand is aangeschaft met de intentie om het te verbouwen tot appartementen. Hetgeen de heer [A] tijdens de bespreking heeft verteld, heeft mij aanleiding gegeven tot nader onderzoek. Mogelijk is het pand ten onrechte opgenomen in box 3, omdat het zou kunnen kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1. Om dit nader te kunnen beoordelen, verzoek ik u mij de volgende gegevens te verstrekken, onderbouwd aan de hand van relevante documenten: - Wie heeft de bouwvergunning aangevraagd? - Wie heeft de aannemer geselecteerd? - Wie heeft de vergunningen aangevraagd? - Wie heeft de contracten met de aannemer/bouwvakkers onderhouden? - Wie heeft toezicht gehouden op de werkzaamheden? - Overzicht van de kosten (architect, vergunning, verbouwing etc.); - Welke werkzaamheden hebben de heer en mevrouw [X/A] verricht? - Op welke datum is de verbouwing gestart? - Op welke datum is het opgeleverd? - Hoeveel appartementen zijn er ontstaan? - Is het pand gesplitst in appartementsrechten? Zo ja, dan ontvang ik graag de akte. Zo nee, waarom niet? - Op welke data zijn de huurcontracten ingegaan? - Wie onderhoudt het contact met de huurders? - Welke werkzaamheden worden er nog verricht, sinds het pand is opgeleverd en verhuurd? - Waarom is volgens u (in de periode tot aan de verhuur) geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden, daaronder begrepen het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals het uitponden van onroerende zaken?”. 2.4. Bij brief van 30 augustus 2016 antwoordde [D] als volgt: „ROW, a. Bouwvergunning door BBAW aangevraagd b. BBAW heeft de aannemer geselecteerd c. BBAW heeft de vergunningen aangevraagd zie punt a hiervoor d. BBAW heeft alles begeleid e. BBAW heeft toezicht gehouden op hetgeen f. Fam [X/A] heeft geen werkzaamheden in deze verricht g. Verbouwing zal in 2012/2013 zijn gestart h. Oplevering eind 2014/begin 2015 i. 14 appartementen zijn ontstaan j. Er is geen akte van splitsing nodig omdat het eigendom van 1 eigenaar is. k. November 2014 tot februari 2015 zijn de huurcontracten ingegaan l. [F] Makelaardij onderhoud verder alle zaken met en namens de huurders m. Er worden geen werkzaamheden door cliënten verricht n. Het gaat hier om normaal vermogensbeheer, mede gelet op het feit dat cliënten het voltallig werk heeft uitbesteed en zelf geen werkzaamheden verricht voor dit pand.”. [D] heeft bij zijn brief geen documenten gevoegd en ook geen overzicht van de kosten opgesteld. 2.5. Bij brief van 16 februari 2017 liet [G] (hierna: [G] ), werkzaam als controlemedewerker bij de Inspecteur, aan belanghebbende weten dat hij haar een aantal vragen wilde stellen met betrekking tot de verbouw van het pand. [G] wilde vaststellen of belanghebbende het pand terecht had aangemerkt als een vermogensbestanddeel in box 3. Hij verzocht belanghebbende om binnen veertien dagen na dagtekening van de brief contact met hem op te nemen voor het maken van een afspraak. [G] schreef verder: „Doel van de bespreking is het verkrijgen van een nader beeld van het pand, en de daaraan uitgevoerde werkzaamheden, aan [a-straat] 2 te [Z] . Ik stel het in dit kader op prijs om het pand te mogen bezichtigen. Verder verzoek ik u voorafgaand aan de bespreking de volgende informatie (digitaal) te verstrekken: Alle facturen inzake de aan het pand verrichtte werkzaamheden. Bouwtekeningen en taxatierapporten van het pand voor zowel de oude als de nieuwe situatie.”. 2.6. [G] heeft op een telefonisch verzoek van belanghebbendes gemachtigde tot 15 maart 2017 uitstel verleend voor de beantwoording van de gestelde vragen. Op die datum liet de gemachtigde per e-mail aan [G] weten dat de informatie werd verzameld en nog niet volledig beschikbaar was. Zij hoopte [G] uiterlijk twee weken later nader te berichten. [G] heeft de gemachtigde telefonisch dat uitstel verleend. Daarbij vroeg hij om een afspraak te maken voor een bezichtiging. De gemachtigde zei dat zij op dit laatste zou terugkomen. 2.7. Bij brief van 31 maart 2017 deelde belanghebbendes gemachtigde aan [G] onder meer het volgende mee: „Cliente meende dat deze kwestie reeds was afgewikkeld door uw voorganger mevrouw drs. [B] . Zij heeft namelijk eerder (2 februari 2016) een uitvoerige vragenbrief daarover gezonden aan administratiekantoor [C] . Dit kantoor heeft haar vragen beantwoord. Samengevat volgt uit die informatie dat cliënte de verbouwingswerkzaamheden aan het pand alsook de verhuur volledig heeft uitbesteed.” (…) „Cliënte is slechts zijdelings betrokken bij haar beleggingsobject omdat alle werkzaamheden die daarmee samenhangen volledig zijn uitbesteed. Zij is louter financier en belegger in het pand en wenst dat ook zo te houden de komende jaren. Voor haar staat vast dat er over de kwalificatie van deze belegging voor de heffing van inkomstenbelasting (box 3) geen discussie kan bestaan. Gegeven die feiten en omstandigheden, het eerdere onderzoek en de daarbij verstrekte informatie ontgaat het cliënte welk relevant belang de inspecteur (nog) heeft bij een bespreking en/of een bezoek aan het pand. Met het oog op de privacy van de huurders is het overigens maar de vraag of zij de inspecteur (en de door hem aangewezen deskundigen) toegang dient en kan verlenen. Vanzelfsprekend ben ik namens cliënte bereid om voor zoveel nodig met u overleg te voeren zodat haar belastingaangifte 2013 snel kan worden afgewikkeld.”. 2.8. Bij brief van 5 april 2017, gericht aan belanghebbende, sommeerde [G] belanghebbende op grond van de artikelen 47, 49 en 50 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om voor 20 april 2017 de gevraagde informatie te verstrekken en een afspraak te maken voor een bespreking en een bezichtiging van het pand. Hierbij deelde [G] mee dat hij, als belanghebbende niet aan dit verzoek voldeed, genoodzaakt was om een informatiebeschikking uit te reiken. Hierop volgde een e-mailwisseling tussen belanghebbendes gemachtigde en [G] over de machtiging van belanghebbendes gemachtigde. 2.9. Bij e-mailbericht van 19 april 2017 wees belanghebbendes gemachtigde [G] erop dat zij het aanbod had gedaan om constructief overleg te voeren. [G] reageerde hierop telefonisch, waarna de gemachtigde van belanghebbende [G] liet weten dat zij alsnog bij belanghebbende zou informeren naar de bereidheid om de gevraagde informatie te leveren. 2.10. Bij brief van 26 april 2017, gericht aan [G] , beschreef belanghebbendes gemachtigde in chronologische volgorde de contacten die in haar optiek met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden inzake belanghebbendes aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013. Belanghebbendes gemachtigde besloot haar brief met: „Gelet op haar gemotiveerde en constructieve opstelling en diametrale werkwijze van de inspecteur onder meer voor wat betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.