ISD P20/0341 Beslissing d.d. 17 december 2020 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [Naam veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, verblijvende in [detentie] , hierna: de veroordeelde. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2020, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt voorgezet. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2019; het uittreksel justitiële documentatie van 12 augustus 2020; het verslag tussentijdse toetsing van [de inrichting] van 9 augustus 2020; het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; de beslissing waarvan beroep; de akte van beroep van de veroordeelde van 3 september 2020; het voortgangsverslag van [de inrichting] van 2 december
- Het hof heeft ter zitting van 3 december 2020 gehoord de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. R. Segerink. Overwegingen: Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman De veroordeelde heeft meegewerkt aan de intramurale fase van de ISD-maatregel. De ambulante fase van de maatregel is nog niet van de grond gekomen. Het is frustrerend voor hem dat hij na intakegesprekken met [de instelling] is afgewezen voor plaatsing bij twee locaties van deze instelling voor maatschappelijke opvang in Amsterdam. Het eerste gesprek van de veroordeelde met het [naam team] op 25 november 2020 is wel positief verlopen. Volgens de veroordeelde zal er door de opheffing van de ISD-maatregel geen gevaar voor de maatschappij ontstaan. De raadsman heeft aangevoerd dat de opheffing van de maatregel er in iedere geval niet toe zal leiden dat de veroordeelde op straat komt te staan. Hij kan verblijven bij betrokken familieleden die hem zullen helpen, zoals zij dit in het verleden ook hebben gedaan. Hij kan ook terugkeren naar de woning van zijn moeder, waar hij altijd heeft verbleven en opnieuw welkom is. De intakegesprekken over de mogelijkheden tot plaatsing van de veroordeelde bij twee locaties van [de instelling] hebben niet geleid tot een plaatsing. In het voortgangsverslag is beschreven dat veroordeelde geen direct antwoord geeft op vragen bij intakegesprekken. Zo communiceert hij echter altijd en daar zullen volgende pogingen om hem ergens te plaatsen mogelijk ook weer op stuk lopen. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel komt nu neer op kale detentie, en het valt niet te verwachten dat dit in de toekomst zal veranderen. Het is wel gunstig dat de veroordeelde onderwijs heeft gevolgd in de inrichting, dat er wordt gewerkt aan zijn schulden en dat hij een stuk gezonder is geworden, maar dit zijn geen doelen van de ISD-maatregel. De raadsman heeft bepleit de ISD-maatregel tussentijds te beëindigen Het standpunt van het openbaar ministerie Ten tijde van de zitting in eerste aanleg was de inrichting al bezig een stapsgewijze en veilige terugkeer van de veroordeelde naar de maatschappij vorm te geven. Er waren duidelijke plannen voor een ambulant traject. Vanwege de Corona-maatregelen konden niet alle plannen direct worden uitgevoerd. Sinds de beslissing van de rechtbank heeft de veroordeelde een aantal positieve stappen gezet. Hieruit blijkt dat de ISD-maatregel zinvol is. De zoektocht naar een verblijfplaats voor de veroordeelde is stroef verlopen, maar de inrichting zoekt nog steeds een plek voor hem waar hij na de intramurale fase van de ISD-maatregel kan verblijven. In dat verband is hij aangemeld bij het [naam team] . Het eerste gesprek van de veroordeelde met die instelling is volgens hem positief verlopen. Het is ook positief dat er sprake is van schuldhulpverlening. Het ingezette traject is echter nog niet afgerond en moet worden voortgezet. De beëindiging van de ISD-maatregel zal leiden tot een terugval en mogelijk ook tot overlast en verloedering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Het oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende. Uit het reclasseringsadvies van 6 augustus 2019 komt naar voren dat de veroordeelde een zorgmijder is. Hij staat zeer afwijzend tegenover elke vorm van behandeling in een ambulant kader. Naast de zorgmijdende houding zijn - onder meer - het middelengebruik van de veroordeelde en impulsdoorbraken onder invloed van middelen risico verhogende factoren. Het recidiverisico is niet afgenomen door de stabiele huisvesting van de veroordeelde bij zijn moeder en de uitkering die hij heeft ontvangen. Het recidiverisico wordt als onverminderd hoog ingeschat door de reclassering die heeft geadviseerd de ISD-maatregel aan hem op te leggen. De ISD-maatregel wordt tenuitvoergelegd vanaf 23 januari
- Uit de verslag van inrichting voor de tussentijdse toetsing ter zitting van de rechtbank op 19 augustus 2020, komt naar voren dat veroordeelde de training [naam training] heeft afgerond. Het onderzoek naar zijn intelligentie heeft ook plaatsgevonden. Verder heeft hij in de inrichting onderwijs in de Nederlandse en Engelse taal gevolgd en is hij geslaagd voor het examen van de module marketing van de budgettraining. Blijkens het voortgangsverslag van de inrichting voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van het hof op 3 december 2020, heeft de veroordeelde zijn schulden inmiddels in kaart gebracht samen met […] schuldhulpverlening. Daar waar nodig zullen betalingsregelingen met schuldeisers worden getroffen. Hij is aangemeld bij verschillende instanties ter voorbereiding op de extramurale fase van de ISD-maatregel. Na intakegesprekken met de veroordeelde is hij afgewezen voor plaatsing bij twee locaties voor maatschappelijke opvang van [de instelling] . Daarna is hij aangemeld bij het Leger des Heils voor huisvesting. De veroordeelde heeft de interventie bij Terwille verslavingszorg, die erop is gericht om te leren omgaan met middelengebruik, eerder dit jaar zelf afgewezen. Hij is vervolgens aangemeld bij het [naam team] . Zijn eerste gesprek met deze instelling - die hulp en ondersteuning biedt aan mensen met een licht verstandelijke beperking die in aanraking zijn gekomen met justitie, waarbij daarnaast verslaving of psychiatrische problemen een rol kunnen spelen - is positief verlopen. Het hof constateert dat de veroordeelde tijdens de intramurale fase van de ISD-maatregel positieve resultaten heeft behaald, maar dat die fase nog niet is afgerond. Daarna moet de extramurale fase van de maatregel beginnen. De veroordeelde heeft nog geen behandeling voor zijn middelenproblematiek ondergaan, terwijl het middelengebruik een belangrijke risicofactor is. Ook is er nog geen passende woonplek voor hem gevonden. Het verblijf van veroordeelde bij zijn moeder en de hulp van andere familieleden heeft niet kunnen voorkomen dat hij zich in het verleden vaak schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder misdrijven waarvoor de ISD-maatregel aan hem is opgelegd. Het hof acht professionele begeleiding en ambulante behandeling van veroordeelde, die bekend staat als zorgmijder, in een dwingend kader noodzakelijk om het recidiverisico tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau terug te dringen. Het valt te verwachten dat de opheffing van de maatregel thans zal leiden tot overlast en verloedering van het publiek domein. De voorzetting van de maatregel is niet zinloos door een omstandigheid die geheel buiten de macht van de veroordeelde ligt. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank bevestigen. Beslissing Het hof: Bevestigt met aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2020 met betrekking tot de betrokkene [Naam veroordeelde] . Aldus gedaan door mr. A.B.A.P.M. Ficq als voorzitter, mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren, en dr. K. de Wijs-Heijlaerts en drs. I. van Outheusden als raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier, en op 17 december 2020 in het openbaar uitgesproken. mr. R. Hermans en raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.