GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.201.677/01 CJIB-nummer : 190014967 Uitspraak d.d. : 26 februari 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2016, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 9 oktober 2017 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Beoordeling
- De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de officier van justitie het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van gronden en dat de kantonrechter dit niet heeft onderkend. Het administratief beroepschrift bevatte wel degelijk een grond, aldus de gemachtigde.
- Het verweer treft doel. In het administratief beroepschrift d.d. 26 juli 2015 is betwist dat de gedraging is verricht. Dat is een beroepsgrond (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10365). De officier van justitie heeft het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de kantonrechter heeft het beroep tegen deze beslissing ten onrechte ongegrond verklaard.
- Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen overigens tegen deze beslissingen is aangevoerd, behoeft daarmee geen bespreking meer.
- De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 140,- voor: “in een motorvoertuig voorin geen autogordel gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2015 om 18:26 uur op de Diepenbrockstraat in Ridderkerk met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
- Aangevoerd wordt dat de betrokkene zijn gordel los heeft geklikt toen hij reeds geparkeerd stond voor zijn woning en de motor al uit stond. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht, waarin valt te lezen dat na staandehouding is geconstateerd dat de autogordel zichtbaar langs de portierstijl hing, sluit volgens de gemachtigde hierop aan. De betrokkene reed vanuit de Willem Landréstraat linksaf de Diepenbrockstraat in de richting zijn woning. De ambtenaar reed juist de andere kant op. Een in de kantonprocedure overgelegde plattegrond verduidelijkt deze situatie. De verklaring van de betrokkene zelf luidt: “Ik reed de straat in en sneed de betreffende agent af (iets te korte bocht, maar kwam wel van rechts). Toen draaide hij om en, terwijl ik parkeerde en mijn gordel losmaakte (stond inmiddels voor mijn huis), klopte hij op mijn raam en gaf aan dat ik hem sneed (mijn motor was op dat moment al uit). Ik heb mijn excuses aangeboden voor het snijden en aangegeven dat ik wel mijn gordel om had tijdens het rijden, maar dat ik die direct had los geklikt toen ik de auto tot stilstand bracht en de motor uitzette.”
- De gedraging betreft een overtreding van artikel 59, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Die bepaling houdt - voor zover hier van belang - in: "Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel."
- De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt - zakelijk weergegeven - in dat hij zag dat de gordel en gesp zichtbaar langs de portierstijl van het voertuig hingen.
- De ambtenaar verklaart de gordel en gesp langs de portierstijl te hebben zien hangen. Dat de ambtenaar voorgaande pas na staandehouding heeft gezien, valt, in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde beweert, uit deze verklaring niet af te leiden. Wat is aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar.
- Artikel 59 van het RVV 1990 betreft voorts een absoluut gebod. Slechts ingeval van ontheffing van de gordelplicht conform artikel 149, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 is een uitzondering op dit gebod mogelijk gemaakt. Voor het overige is de bestuurder te allen tijde verplicht de autogordel te dragen.
- Uitgaande van hetgeen de betrokkene zelf heeft aangevoerd, namelijk dat hij zijn gordel losmaakte terwijl hij bezig was met parkeren, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de gedraging niet is verricht. Immers brengt het feit dat de betrokkene bezig is met parkeren mee dat de betrokkene op dat moment nog bestuurder van het voertuig is, zodat de gordelplicht op een dergelijk moment onverkort op hem van toepassing blijft. Daarom staat vast dat de gedraging is verricht.
- Voor zover de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat de ambtenaar een en ander niet goed heeft kunnen waarnemen, omdat hij de andere kant op reed, overweegt het hof dat dit verweer faalt. Dat de waarneming van de ambtenaar niet betrouwbaar zou zijn, blijkt nergens uit. Uit het verhaal van de betrokkene volgt nu juist dat ze elkaar heel dicht gepasseerd zijn.
- Voorgaande leidt ertoe dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal worden verklaard.
- Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.