GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.263.123/02 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 458663 en 463074) beschikking van 19 maart 2020 op het verzoek tot schorsing en tot het treffen van provisionele voorzieningen inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker, verder te noemen: de man, advocaat: mr. I. Lieberwerth te Amersfoort, en [verweerster] , wonende te [A] , verweerster, tevens zelfstandig verzoekster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.L.A. van Opstal te ’s-Hertogenbosch. 1Het geding in eerste aanleg in de hoofdzaak Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), van 24 april 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook te noemen: de bestreden beschikking). 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing en de provisionele verzoeken ex artikel 223 Rv 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift in de hoofdzaak van de man met producties 1 tot en met 4, ingekomen op 24 juli 2019; - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de vrouw met producties 30 tot en met 36; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man met producties 5 en 6; - het verzoekschrift van de man tot het treffen van provisionele voorzieningen ex artikel 223 Rv, ingekomen op 23 januari 2020; - het verweerschrift van de vrouw tegen de provisionele verzoeken van de man, tevens houdende zelfstandige provisionele verzoeken, met producties 1 tot en met 16; - een journaalbericht van mr. Lieberwerth van 2 maart 2020 met een wijziging van het petitum van het verzoekschrift van de man tot het treffen van provisionele voorzieningen; - een journaalbericht van mr. Lieberwerth van 2 maart 2020 met producties 5 tot en met 10. 2.2 De mondelinge behandeling met betrekking tot het verzoek tot schorsing en de provisionele verzoeken heeft op 2 maart 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 1996 met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige kinderen: - [B] , geboren [in] 1999 te [A] , en - [C] , geboren [in] 2001 te [A] . 3.2 Partijen hebben voorafgaand aan het huwelijk, op 26 juni 1996, ten overstaan van een notaris huwelijkse voorwaarden laten opmaken. 3.3 Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking voorlopige voorzieningen van 24 april 2018 heeft de rechtbank, voor de duur van het geding: - bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [A] (hierna: de woning) en de zich daarin bevindende inboedel met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden; - bepaald dat [C] – die op dat moment nog minderjarig was – zal worden toevertrouwd aan de man; - het meer of anders verzochte afgewezen. 3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (het hof volgt de nummering van het dictum): - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (5.1); - bepaald dat [C] – die op dat moment nog minderjarig was – haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft (5.2); - bepaald dat het door de rechtbank gewaarmerkte en aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking (5.3); - bepaald dat de vrouw aan de man met ingang van 1 april 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [C] zal verstrekken een bedrag van € 169,- per maand, vanaf de datum van die beschikking bij vooruitbetaling te voldoen (5.4); - bepaald dat partijen dienen over te gaan tot verdeling bij helfte van de beperkte gemeenschap van inboedel (5.5); - de woning aan de vrouw toegedeeld, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening, en met betaling aan de man van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde die wordt gevormd door het verschil tussen de nog door de makelaar te bepalen waarde van de woning en de hoogte van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening (5.6); - bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten (5.7); - bepaald dat de man, na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, maandelijks aan de vrouw dient te voldoen een bedrag ter hoogte van de helft van de hypothecaire woonlast, als vergoeding voor het gebruik van de woning, tot het moment dat de man voornoemde woning verlaat (5.8); - vastgesteld dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de vrouw 50% van de opgepotte winsten in haar onderneming, voor zover die uitkeerbaar zijn, aan de man dient te voldoen (5.9); - de beslissing op het verzoek om partneralimentatie pro forma aangehouden tot 22 mei 2019 en de man de mogelijkheid gegeven om uiterlijk op deze datum een reactie te geven op het verweer op dit punt van de vrouw (5.10); - deze beslissingen, met uitzondering van de beslissing tot het uitspreken van de echtscheiding en de beslissing ter zake de partneralimentatie, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (5.11); - het meer of anders verzochte afgewezen (5.12). 3.5 [C] woont vanaf mei 2019 merendeel van de tijd bij de moeder in een door de moeder gehuurde woning. 3.6 De echtscheidingsbeschikking is op 13 september 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.7 De man heeft bij beroepschrift, ingekomen op 24 juli 2019, bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de in de echtscheidingsbeschikking getroffen nevenvoorzieningen voor zover het de beslissingen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning en de gebruiksvergoeding betreft. 3.8 De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verweer gevoerd. Zij heeft daarnaast incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de in de echtscheidingsbeschikking getroffen nevenvoorzieningen voor zover het de beslissing over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft. 3.9 De man heeft verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep van de vrouw. 3.10 De mondelinge behandeling van het hoger beroep in de hoofdzaak stond gepland op 26 maart 2020. 3.11 Met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 10 oktober 2019 beslist dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 2.044,- per maand moet voldoen met ingang van de dag na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, bij vooruitbetaling te voldoen. Tegen deze beslissing heeft de vrouw bij dit hof hoger beroep ingesteld, ingekomen op 10 januari 2020 (zaaknummer 200.272.465). Deze procedure loopt nog. 3.12 De moeder heeft op 18 oktober 2019 de huur van haar huurwoning opgezegd met ingang van 1 april 2020. 4De omvang van het geschil 4.1 In deze procedure liggen aan het hof voor het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beslissing van de rechtbank over de verdeling van de woning en de (zelfstandige) provisionele verzoeken van de man en de vrouw. 4.2 De man verzoekt – na wijziging van zijn verzoekschrift tot het treffen van provisionele voorzieningen – het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: - de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans haar verzoeken af te wijzen; - de werking van onderdeel 5.6 van de bestreden beschikking te schorsen totdat op het hoger beroep in de hoofdzaak daarover is beslist; - te bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende een verlengde periode tot zes maanden na de uitspraak van het hof in de hoofdprocedure voort te zetten; - de vrouw te veroordelen om aan de man binnen veertien dagen na afgifte van onderhavige beschikking een bedrag van € 920.523,- dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag te betalen als voorschot op hetgeen zij aan de man verschuldigd zal zijn uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en – voor het geval voldoening van het voorschot niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over het voorschot en betaling van de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. Subsidiair, voor het geval de termijn van het voortgezet gebruik niet wordt verlengd en de man de woning ten behoeve van de vrouw dient te verlaten: - te bepalen dat de vrouw aan de man een maandelijkse vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de hypothecaire woonlast tot het moment waarop de woning in eigendom wordt overgedragen; - kosten rechtens. 4.3 De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en bij wijze van zelfstandige verzoeken: Primair: 1. de man te bevelen om uiterlijk op 12 maart 2020, althans binnen één week na de te wijzen beschikking de woning te verlaten en verlaten te houden met al het zijne en de zijnen en ten gebruike aan de vrouw ter beschikking te stellen onder afgifte van alle sleutels van de woning aan makelaarskantoor [D] te [A] , zulks op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte van de dag dat de man per 12 maart 2020 nalatig blijft aan de te wijzen beschikking te voldoen met een maximum van € 200.000,-; II. de man te bevelen om op eerste verzoek daartoe van de makelaar van makelaarskantoor [D] te [A] aan deze opdracht te verlenen tot het uitvoeren voor gezamenlijke rekening van partijen van een taxatie van de waarde in het economische verkeer op 19 april 2019 van de woning aan de [a-straat 1] te [A] in overeenstemming met hetgeen de rechtbank daarover heeft bepaald in de beschikking van 24 april 2019, alsmede om op eerste verzoek daartoe van de makelaar aan deze toegang te verlenen tot de genoemde woning ten behoeve van de taxatie en voor het overige alle van hem voor de taxatie benodigde medewerking te verlenen, zulks op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte van de dag dat de man nalatig blijft aan (een onderdeel van) dit bevel te voldoen, met een maximum van € 200.000,-; III. de man te veroordelen om na betekening van de in dezen te wijzen beschikking op eerste verzoek van de vrouw binnen 24 uur onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte van verdeling strekkende tot toedeling van de woning aan de vrouw, op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de man in gebreke blijft om aan de gevraagde veroordeling te voldoen, met een maximum van € 200.000,- alsook te bepalen dat de in dezen te wijzen beschikking van het hof in de plaats treedt van de akte van verdeling, althans van de wilsverklaring en handtekening van de man die nodig zijn voor het passeren van de akte van verdeling en daarbij de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW te bepalen op nihil; Subsidiair: IV. te bepalen dat de vrouw voorlopig bij uitsluiting van de man zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de woning, met bevel aan de man om deze woning uiterlijk op 12 maart 2020 te verlaten en verlaten te houden, onder afgifte van alle sleutels van de woning aan de vrouw, op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat de man weigert uitvoering te geven aan dit bevel, met een maximum van € 200.000,-; Voorwaardelijk, als het hof oordeelt dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man is verschuldigd: V. te bepalen dat de vrouw de door haar verschuldigde gebruiksvergoeding mag verrekenen met de door haar aan de man verschuldigde partneralimentatie; - kosten rechtens. 5De beoordeling van de verzoeken Het verzoek van de man tot schorsing 5.1 De man verzoekt schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beslissing betreft tot toedeling van de woning aan de vrouw onder de daaraan verbonden voorwaarden. De man stelt dat de beslissing tot toedeling van de woning aan de vrouw berust op een feitelijke dan wel juridische misslag. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het onzeker is of hij financieel in staat is om de woning over te nemen en dat voor de vrouw deze onzekerheid niet, althans in veel mindere mate speelt. Daarnaast stelt de man dat zijn belangen zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw bij toedeling van de woning. Het belang van [C] moet volgens de man niet in de belangenafweging worden meegewogen, omdat [C] zich voorbereidt om op kamers te gaan en het niet de wens van [C] is om terug te gaan naar de woning. 5.2 De vrouw betwist dat de bestreden beschikking berust op een kennelijke misslag. Zij acht het oordeel van de rechtbank over de financieringsmogelijkheden van de woning door de man juist en meent dat de man door middel van deze procedure probeert vooruit te lopen op de beslissing in het hoger beroep in de hoofdzaak. Verder betwist de vrouw dat de belangen van de man zwaarder wegen dan haar belangen bij toedeling van de woning. Zij stelt dat zij inmiddels een aanzienlijk groter belang heeft bij de toedeling van de woning omdat [C] bij haar woont. Juridisch kader 5.3 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 5.4 Het hof stelt, onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende voorop: Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.