GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.270.653/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 168897) arrest in kort geding van 31 maart 2020 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: [appellante], advocaat: mr. H. Veldman, kantoorhoudend te Roden, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. N.E. Koelemaij, kantoorhoudend te Assen. 1 1. De procedure bij de voorzieningenrechter Het verloop van de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) blijkt uit het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 november 2019. 2 2. Het verloop van de procedure bij het hof 2.1 Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:- de dagvaarding in spoedappel, die ook de grieven bevat (met producties);- de memorie van antwoord (met producties). 2.2 [appellante] heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid te reageren op de bij memorie van antwoord overgelegde producties. 2.3 Vervolgens hebben partijen de processtukken ingediend en hebben zij het hof gevraagd een uitspraak te doen. Het hof heeft daarop de datum voor dit arrest vastgesteld. 2.4 [appellante] wil in hoger beroep dat de door haar ingestelde primaire vordering in conventie - opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde executoriale beslag - alsnog wordt toegewezen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie alsnog worden afgewezen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. 3 3. De vaststaande feiten in hoger beroep 3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2 [appellante] is na het overlijden van haar man een massagesalon aan huis gestart in haar toenmalige woning, een woonboerderij in [C] . [appellante] en [geïntimeerde] hebben elkaar leren kennen via de massagesalon van [appellante] , waar [geïntimeerde] onder behandeling was. [geïntimeerde] heeft een achtergrond als makelaar. 3.3 Op 14 september 2017 heeft [geïntimeerde] “handelend voor zich of een nader te noemen meester” een overeenkomst gesloten met [D] voor de koop van een woning met achterliggend bouwterrein met daarop een kalverstal in aanbouw en een perceel agrarische grond, aan de [a-straat 1] [A] (hierna: de onroerende zaak). [D] had de onroerende zaak op 9 september 2016 voor een bedrag van € 285.000,- gekocht van [E] en op 2 februari 2017 geleverd gekregen. De onroerende zaak is bij notariële akte van 16 oktober 2017 door [D] aan [appellante] geleverd. In de leveringsakte is vermeld dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst als gevolmachtigde van [appellante] is opgetreden. [geïntimeerde] heeft de verschuldigde koopsom ad € 439.041,43 bij de notaris gedeponeerd. 3.4 Op de dag van de levering is een notariële akte van geldlening tussen [geïntimeerde] als schuldeiser en [appellante] als schuldenaar verleden (hierna: de leenovereenkomst). In de akte worden twee geldleningen benoemd. 'Geldlening 1' betreft het bedrag van de koopsom ad € 439.041,43. In de leenovereenkomst is bepaald dat deze eerste lening voor de periode van één jaar is verstrekt tegen een rente van (ten minste) 3% (op jaarbasis) en opeisbaar is op 31 oktober 2018. 'Geldlening 2/kredietovereenkomst' betreft een kredietfaciliteit tot een maximumbedrag van € 1.000.000,- voor de bouw en verbouw van de onroerende zaak. Verder is het volgende, voor zover van belang, in de leenovereenkomst (waarin [geïntimeerde] is aangeduid als schuldeiser en [appellante] als schuldenaar) bepaald: "(….) De bepalingen en bedingen zoals hiervoor onder GELDLENING 1 zijn opgenomen zijn integraal van toepassing op de bedragen die uit hoofde van GELDLENING 2/KREDIET OVEREENKOMST worden opgenomen en voor de berekeningen van rente, looptijd, opeisbaarheid en aflossing kunnen de geldleningen als één geheel worden beschouwd. POSITIEVE EN NEGATIEVE ZEKERHEIDSVERKLARING 1. Schuldenaar verbindt zich om op de eerste vordering van schuldeiser een eerste hypotheekrecht, pandrecht en/ of andere zakelijke rechten te vestigen ten behoeve van schuldeiser, zulks naar keuze van schuldeiser op alle als dan aan schuldenaar toebehorende onroerende zaken, bedrijfsinventaris, voorraden en vorderingen, zulks tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de schuldeiser uit hoofde van deze overeenkomst alsdan nog van schuldenaar te vorderen mocht hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 verbindt schuldenaar zich om, zolang hij de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld, ter zake van hoofdsom, rente en kosten niet volledig aan de schuldeiser heeft afgelost en betaald, de thans aan hem toebehorende en de in de toekomst nog door hem te verkrijgen onroerende zaken, bedrijfsinventaris, voorraden en vorderingen niet zonder vooraf gekregen schriftelijke toestemming van schuldeiser te zullen vervreemden, met hypotheek of met andere zakelijke rechten te zullen bezwaren, noch ook deze te verhuren of te verpachten of op enige andere wijze in gebruik te geven aan derden. 3. Het zekerheidsrecht als onder lid 1 bedoeld dient te worden verleend tot een bedrag van het totaal aan geldleningen dat op het moment van de vordering van schuldeiser door schuldenaar van schuldeiser is geleend, vermeerderd met veertig procent (40 %) daarvan en voorts onder de bedingen en bepalingen die ten kantore van mij notaris als gebruikelijk worden beschouwd, waaronder de volgende bepalingen: (…) GROSSE Schuldeiser is bevoegd om door middel van een grosse van deze akte executie maatregelen te treffen en zich te verhalen op het vermogen of inkomsten van schuldenaar. (…)". 3.5 In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat [appellante] op 16 oktober 2017 een kalverbedrijf is gestart onder de naam "Kalverbedrijf [appellante] " (hierna: de kalvermesterij). 3.6 Na de levering is de woning bij de boerderij verbouwd en is de kalverschuur afgebouwd. [appellante] heeft haar (hypotheekvrije) woonboerderij te [C] verkocht voor € 425.000,- en de opbrengst van de woning met haar spaartegoeden van circa € 250.000,- in de woning bij en de kalverschuur gestoken. 3.7 Kalvermesterij Hooijer B.V. heeft de kalveren en Hooijer Food Ingredients B.V. het voer voor de kalvermesterij geleverd. [F] is directeur/eigenaar van beide voornoemde vennootschappen ( [F] en zijn vennootschappen worden hierna tezamen aangeduid als [F] ). [appellante] heeft de gemeste kalveren eind 2018, begin 2019 via [F] verkocht aan een slachterij. [geïntimeerde] onderhield de contacten met [F] . [geïntimeerde] heeft betalingen voor de inkoop van kalveren en voer ten behoeve van de kalvermesterij rechtstreeks aan [F] voldaan en in 2019 heeft [F] de verkoopopbrengst van de kalveren ten behoeve van de kalvermesterij aan [geïntimeerde] voldaan. 3.8 Op 24 juni 2019 heeft [geïntimeerde] , na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, conservatoire beslagen gelegd op onroerende en roerende zaken van [appellante] , waaronder de aanwezige kalveren en op de dierproductierechten. In het verzoekschrift conservatoir beslag staat vermeld dat [geïntimeerde] een opeisbare vordering op [appellante] heeft van € 2.317.360,25 exclusief rente en kosten uit hoofde van door [geïntimeerde] aan [appellante] geleende gelden, waarbij [geïntimeerde] zich beroept op de leenovereenkomst. 3.9 Op 24 juni 2019 is aan [appellante] ook een grosse van de leenovereenkomst betekend met het bevel om binnen twee dagen € 471.205,14 (€ 455.074,62 in hoofdsom, te vermeerderen met rente en betekeningskosten) aan [geïntimeerde] te voldoen. 3.10 Op 5 juli 2019 is aan [appellante] een dagvaarding, tevens inhoudende een sommatie tot betaling, betekend. [geïntimeerde] vordert in de dagvaarding dat [appellante] aan hem betaalt een bedrag in hoofdsom van € 2.264.217,10. De procedure is inmiddels aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland. 3.11 Op 9 juli 2019 heeft [geïntimeerde] vernomen dat [appellante] een koopovereenkomst betreffende de onroerende zaak heeft gesloten met een derde. De koopovereenkomst is op 1 juli 2019 ingeschreven in het kadaster. Uit de inschrijving blijkt dat [appellante] de onroerende zaak heeft verkocht aan Pandbeheer B.V. (hierna: Pandbeheer) voor een 'nader te noemen meester' voor de koopsom van € 442.600. Aandeelhouder van Pandbeheer is [G] . De koopovereenkomst is op 18 juni 2019 door [appellante] en [G] (namens Pandbeheer) ondertekend. In de overeenkomst is bepaald dat de levering op 2 september 2019, of zoveel eerder of later als partijen overeenkomen, zal plaatsvinden. 3.12 Op 11 juli 2019 heeft [geïntimeerde] uit hoofde van de leenovereenkomst executoriaal beslag doen leggen op de onroerende zaak van [appellante] . Op 16 juli 2019 heeft [geïntimeerde] het proces-verbaal aan [appellante] doen betekenen waaruit dit blijkt. 3.13 Op 16 juli 2019 heeft [geïntimeerde] ten laste van [appellante] executoriaal beslag doen leggen op roerende zaken, waaronder ook de kalveren die op dat moment aanwezig zijn op het bedrijf van [appellante] . Op 18 juli 2019 heeft [geïntimeerde] het proces-verbaal aan [appellante] doen betekenen waaruit deze beslaglegging blijkt. 3.14 Op 16 juli 2019 heeft [geïntimeerde] opnieuw een grosse van de leenovereenkomst aan [appellante] doen betekenen en daarbij aangezegd dat executoriaal beslag wordt gelegd op alle dierproductierechten en fosfaatrechten van [appellante] . 3.15 Op 17 juli 2019 is een overeenkomst gesloten tussen [geïntimeerde] , [F] en [appellante] betreffende de verkoopopbrengst van slachtrijpe kalveren. [geïntimeerde] en [F] hebben daarbij ingestemd met de "voorwaardelijke opheffing van de gelegde beslagen op de Kalveren". In deze overeenkomst zijn betrokkenen de volgende verdeling van de verkoopopbrengst overeengekomen: - € 100.000,- aan [geïntimeerde] ;- € 100.000,-, te vermeerderen met de btw aan [appellante] ; - € 165.434,24 aan [F] ; - het restant in depot op de kwaliteitsrekening van de notaris. Op grond van deze overeenkomst is uiteindelijk een bedrag van € 270.825,16 gedeponeerd bij notaris mr. S. Fissering te Klazienaveen. 3.16 Met een exploot van 29 augustus 2019 is namens [geïntimeerde] aan [appellante] aangezegd dat de openbare verkoop van de onroerende zaak zal plaatsvinden ten overstaan van notaris mr. H.J. Holland te Roden. 3.17 In een brief van 5 september 2019 heeft (de gemachtigde van) [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd de executie van de onroerende zaak te staken en het executoriale beslag dat daarop ligt op te heffen. [geïntimeerde] heeft geen gehoor gegeven aan voormelde sommatie. 3.18 Op 5 september 2019 heeft notaris mr. S. Fissering een concept-depotakte aan [appellante] gezonden in verband met het deponeren van het bedrag van € 270.825,16 uit de verkoopopbrengst van de kalveren. Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding door de voorzieningenrechter op 8 oktober 2019 hebben partijen de depotovereenkomst ondertekend. 3.19 Aan het slot van het proces-verbaal van de zitting van 8 oktober 2019 is het volgende vermeld:“Na hervatting van de zitting verzoeken partijen de rechtbank om de procedure twee weken aan te houden. Mr. Koelemaij deelt de rechtbank mee dat partijen de notaris, mr. Holland, willen vragen een conceptakte op te stellen waarin de reconventionele vorderingen zijn ‘verpakt’. Er moet worden vastgelegd dat een recht van hypotheek wordt gevestigd ter hoogte van de vorderingen die [geïntimeerde] ment te hebben, maar dat dit hypotheekrecht enkel zal gelden voor het bedrag dat in de bodemprocedure in eerste aanleg aan [geïntimeerde] zal worden toegewezen. In de tussenliggende periode mag [appellante] de kalvermesterij zelfstandig exploiteren, maar ze mag deze niet verpachten, vervreemden, bezwaren, etcetera. Partijen gaan ter zitting over tot ondertekening van de depotovereenkomst”Nadat de advocaat van [geïntimeerde] had verzocht de hiervoor vermelde passage met een zin aan te vullen, en de advocaat van [appellante] had laten weten daar bezwaar tegen te hebben, heeft de griffier in een brief aan partijen van 22 november 2019 laten weten dat het proces-verbaal op basis van de zittingsaantekeningen van de griffier zal worden aangepast, in die zin dat tussen de woorden “etcetera” en “Partijen gaan ter zitting” de volgende zin wordt toegevoegd:“De rechtsmaatregelen van [appellante] jegens [F] worden tot de datum vonnis in eerste aanleg opgeschort”. 3.20 In een brief van 9 oktober 2019 aan de advocaat van [appellante] heeft de advocaat van [geïntimeerde] de op 8 oktober 2019 gemaakte afspraken bevestigd. Hij heeft in dat verband onder meer geschreven:“(…)2. [appellante] verleent medewerking aan het vestigen van een recht van eerste hypotheek op [hof: de onroerende zaak], in te schrijven voor een bedrag van € 2.269.863,94. Het betreft de gepretendeerde vordering van [geïntimeerde] op [appellante] .3. Indien en zodra eindvonnis in de bodemprocedure in eerste aanleg is gewezen, geldt het recht van hypotheek van [geïntimeerde] tot het bedrag dat de rechter in eerste aanleg aan hem toewijst.4. [appellante] verleent ten behoeve van [geïntimeerde] medewerking aan het vestigen van een pandrecht - tot zekerheid van al hetgeen [geïntimeerde] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van 16 oktober 2017 van [appellante] te vorderen heeft - op:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.