← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:2934

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.249.216/01 CJIB-nummer : 213834567 Uitspraak d.d. : 9 april 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 19 september 2018, betreffende mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam, beweerdelijk optredende voor [betrokkenene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure Mr. Lagas heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 9 juli 2019 is nog een brief van mr. Lagas ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal. De beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat mr. Lagas geen machtiging heeft overgelegd, terwijl hij daartoe bij brief van 14 augustus 2018 van de griffier van de rechtbank in de gelegenheid is gesteld.
  2. Mr. Lagas voert aan dat hij wel degelijk een machtiging heeft overgelegd, namelijk bij brief van 11 september
  3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt teneinde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
  4. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, kan het beroep op grond van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
  5. In het dossier bevindt zich een brief van 14 augustus 2018 van de griffier van de rechtbank, waarin mr. Lagas onder meer in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief een machtiging te overleggen, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
  6. Bij brief van 11 september 2018 heeft mr. Lagas een machtiging overgelegd van mevrouw [B] , CEO van [betrokkenene] B.V., aan de heer [C] , alsmede een machtiging van [D] aan mr. Lagas.
  7. Het hof constateert dat mr. Lagas niet is gemachtigd door degene die door de betrokkene is gemachtigd. Gelet daarop heeft mr. Lagas geen toereikende machtiging overgelegd en kan hij niet als (onder)gemachtigde van de betrokkene worden beschouwd. Aldus heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Dit brengt mee dat het hof de bezwaren van mr. Lagas tegen de opgelegde sanctie niet kan beoordelen.
  8. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.