← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:2937

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.257.792/01 CJIB-nummer : 214082931 Uitspraak d.d. : 9 april 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 12 februari 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
  2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
  3. De beslissing van de officier van justitie is op 13 september 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 25 oktober
  4. Het beroepschrift is gedateerd 5 november
  5. Uit een stempel blijkt dat het op 7 november 2018 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
  6. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
  7. De betrokkene heeft als reden voor de termijnoverschrijding opgegeven dat zij de in de beslissing van de officier van justitie vermelde vervaldatum heeft opgevat als de uiterste beroepsdatum.
  8. In de beslissing van de officier van justitie staat duidelijk vermeld op welke wijze en binnen welke termijn beroep bij de kantonrechter kan worden ingesteld. Dat de betrokkene de vervaldatum per abuis heeft aangezien voor het einde van de beroepstermijn is dan ook een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar rekening komen.
  9. In hoger beroep voert de betrokkene verder aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de kantonrechter begrip had getoond voor haar te late reactie en dat zij gehoord zou worden in verband met de vermeende gedraging. Dit omdat in de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter niet is vermeld dat de zitting gaat over de tijdigheid van het ingestelde beroep dan wel de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Bij de betrokkene heerst hierover een gevoel van oneerlijkheid en onbegrip.
  10. Het hof merkt op dat het in het kader van een efficiënte procesvoering in bepaalde gevallen nuttig kan zijn om in de oproeping voor de zitting te vermelden dat ter zitting eerst de vraag aan de orde zal komen of het beroep tijdig is ingesteld en of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar er is geen rechtsregel die daartoe verplicht. Aan het uitblijven van een dergelijke mededeling in de oproeping kan daarom niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de (eventuele) termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarnaast wijst het hof erop dat de kantonrechter gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wahv verplicht is een zitting te houden en een betrokkene daarvoor uit te nodigen. Dit brengt mee dat de kantonrechter niet de mogelijkheid heeft om voorafgaand aan de behandeling ter zitting een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid van het beroep.
  11. Gezien het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen. Dit houdt in dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.