← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:3450

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.266.992/01 CJIB-nummer : 217408261 Uitspraak d.d. : 29 april 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. Op 15 januari 2020 is nog een brief van de betrokkene ontvangen. Een afschrift daarvan is toegezonden naar de advocaat-generaal. De beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet binnen de daartoe gegeven termijn is hersteld. Geen feiten of omstandigheden zijn door de betrokkene aangevoerd op grond waarvan een eventuele termijnoverschrijding niet aan de betrokkene kan worden toegerekend. Ter zitting van 11 juli 2019 is de betrokkene behoorlijk opgeroepen. Hij is evenwel niet verschenen om een nadere toelichting te geven.
  2. De betrokkene voert aan dat hij destijds met het parket heeft gebeld over deze zaak met de vraag wat er van hem wordt verwacht, omdat hij de ontvangen brief niet begreep. Een medewerker heeft aangegeven dat het niet nodig was om te verschijnen, omdat alles was aangeleverd. De betrokkene voert verder aan dat hij verlaat een brief heeft ontvangen. Hij heeft direct het telefoonnummer op de brief gebeld en aangegeven dat hij veel later dan de datum van de brief de brief heeft ontvangen. Een medewerker gaf aan dit door te geven en voorts dat de betrokkene alsnog kon reageren, aldus de betrokkene.
  3. Artikel 6:5 lid 1, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een beroepschrift gronden dient te bevatten. Indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
  4. Het hof stelt vast dat de betrokkene bij brief van 30 juli 2018 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift bevat geen beroepsgronden. De betrokkene is bij brief van 17 december 2018 opgeroepen voor de openbare zitting van de kantonrechter op 24 januari
  5. De betrokkene is niet op die zitting verschenen. De kantonrechter heeft de behandeling van de zaak aangehouden en de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal zijn beroepsgronden schriftelijk kenbaar te maken. De kantonrechter heeft daarbij bepaald dat het niet (tijdig) overleggen van de beroepsgronden kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Uit een stempel blijkt dat het proces-verbaal op 29 april 2019 is verzonden. De termijn om beroepsgronden in te dienen eindigde dus op 27 mei
  6. De betrokkene heeft bij brief van 3 juni 2019 de beroepsgronden ingediend. Uit een stempel blijkt dat deze brief op 5 juni 2019 door de griffier van de rechtbank is ontvangen. De betrokkene heeft dan ook niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn gronden ingediend.
  7. Hetgeen de betrokkene aanvoert, maakt niet dat het niet binnen de gestelde termijn indienen van beroepsgronden de betrokkene niet kan worden toegerekend. In het aan de betrokkene verzonden proces-verbaal is duidelijk aangegeven dat de beroepsgronden binnen vier weken na de verzenddatum dienen te worden ingediend en dat het niet (tijdig) overleggen daarvan kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Indien de betrokkene de inhoud van het proces-verbaal niet (goed) heeft begrepen, ligt het op zijn weg om tijdig, dus binnen de in het proces-verbaal aangegeven termijn om beroepsgronden in te dienen, navraag te doen en wel bij de griffier van de rechtbank die het proces-verbaal heeft toegezonden. Hetgeen de betrokkene met een medewerker van het parket heeft besproken is derhalve niet van belang. Met de enkele stelling dat hij een brief verlaat heeft gekregen, heeft de betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter op zodanig moment heeft ontvangen dat hij niet in de gelegenheid is geweest om binnen de gestelde termijn het verzuim te herstellen. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn alsnog gronden heeft ingediend, komen daarmee voor zijn rekening.
  8. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter derhalve bevestigen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.