GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.258.285/01 CJIB-nummer : 218612846 Uitspraak d.d. : 30 april 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 4 februari 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 juli 2018 om 14:23 uur op de Koningslaan in Bussum met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
- De betrokkene vindt het niet terecht dat hem een boete is opgelegd. Hij voert daartoe aan dat bij het adres waar hij op bezoek ging het niet toegestaan is het voertuig stil te laten staan of te parkeren en daarom heeft hij zijn voertuig in een omringende straat geparkeerd. Vervolgens is de betrokkene direct naar het bezoekadres gelopen en heeft daar een bezoekersvergunning gehaald. Het heeft maximaal 5,5 minuut geduurd voordat hij terug bij zijn auto was. Hij moet de ambtenaar net zijn misgelopen. Verder geeft de betrokkene aan dat hij niet op een andere manier de beschikking over de bezoekersvergunning kon krijgen. De afspraak voor ziekenbezoek was die ochtend gemaakt zodat opsturen geen optie was en degene bij wie hij op bezoek ging was door ziekte niet in staat de vergunning bij het voertuig af te geven. Ook parkeren dichterbij het bezoekadres behoorde niet tot de mogelijkheden omdat er geen parkeerplaatsen beschikbaar waren. De betrokkene verzoekt de zaak te heroverwegen en uit coulance de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen.
- Het hof stelt vast dat de gehanteerde feitcode R592A een overtreding is van artikel 9, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening 2018 van de gemeente Gooise Meren.
- Artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening Gooise Meren 2018 luidt: “Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunninghouderplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder vergunning; b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning; c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.”
- De overtreding van dit verbod is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Parkeerverordening Gooise Meren
- Een en ander brengt mee dat wegens overtreding van dit verbod een sanctie kan worden opgelegd.
- Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: "Gedragingsgegevens: vergunningshouders zone ma t/m za van 09:00 tot 18:00 uur, 5 minuten geen activiteiten waargenomen.”
- In de procedure bij de officier van justitie heeft de betrokkene een afschrift van een bezoekersvergunning overgelegd. Op die vergunning is de datum van de gedraging vermeld en het kenteken van het voertuig van de betrokkene ingevuld. Gelet hierop wil het hof wel aannemen dat de betrokkene rond het tijdstip van de gedraging in het bezit was van een bezoekersvergunning, maar dat die vergunning nog niet duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig was. Eén van de voorschriften van de bezoekersvergunning houdt in dat deze zichtbaar en leesbaar achter de voorruit ligt, zodat controle mogelijk is. Nu de bezoekersvergunning rond het tijdstip van de gedraging nog niet achter de voorruit lag, staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken of aanleiding geven het bedrag van de sanctie te matigen.
- Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de betrokkene, dat hij zijn auto ter plaatse heeft geparkeerd, dat hij direct naar het bezoekadres is gelopen om een bezoekersvergunning op te halen en dat een en ander ruim 5 minuten heeft geduurd. De verklaring van de ambtenaar ontkracht deze stellingen niet. De verklaring van de ambtenaar houdt immers in dat hij weliswaar 5 minuten geen activiteiten bij het voertuig heeft waargenomen, maar niet dat hij heeft gecontroleerd of in deze periode, kort na constatering van de gedraging, een bezoekersvergunning was afgegeven. Het hof is van oordeel dat in dit specifieke geval de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.
- Beslist wordt daarom als volgt. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond: vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking waarbij onder voormeld CJIB nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.