GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.215.410/01 CJIB-nummer : 196210502 Uitspraak d.d. : 06 mei 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 16 maart 2017, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 16 juli 2018 is nog een fax van de gemachtigde ontvangen. De beoordeling
- De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat hij de kantonrechter had verzocht om een nadere termijn teneinde de gronden aan te vullen maar dat de kantonrechter hem die termijn niet heeft verleend. De gemachtigde stelt zich daarom op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en verzoekt om terugwijzing van de zaak, dan wel, indien daartoe geen ruimte is, hem een nadere termijn te geven om die gronden aan het hof kenbaar te maken.
- Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 8 oktober 2016 op nog nader aan te voeren gronden beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, en daarbij heeft verzocht hem een nadere termijn te geven om de gronden van het beroep aan te vullen. Voorts is aangevoerd dat het beroep zich op dat moment beperkt tot het ontkennen van de verweten gedraging.
- Het hof stelt voorts vast dat het beroepschrift een grond bevat, te weten de ontkenning van de verweten gedraging. Voorts is sprake van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gedaan verzoek om een nadere termijn te stellen voor het aanvullen van gronden (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ov. 7, 8 en 13).
- Het hof heeft in voormeld arrest in overweging 13 overwogen dat in een dergelijk geval uit beginselen van behoorlijke procesvoering voortvloeit dat de kantonrechter de gemachtigde de gelegenheid moet bieden om de gronden van het beroep aan te vullen en dat die verplichting uitzondering lijdt indien een redelijk belang bij inwilliging van dit verzoek ontbreekt.
- Het hof is van oordeel dat die uitzondering zich in deze zaak voordoet. Daartoe wijst het hof er op dat de gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 16 maart 2017 en aldus de gelegenheid heeft gehad om op die zitting mondeling dan wel voorafgaand aan die zitting schriftelijk de gronden aan te vullen. Dat heeft de gemachtigde niet gedaan. Hij heeft in reactie op de uitnodiging voor de zitting noch in hoger beroep aangegeven waarom hij dat niet heeft kunnen doen. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde een redelijk belang had bij inwilliging van het verzoek.
- Het bezwaar van de gemachtigde treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
- Het zal de gemachtigde geen termijn geven om de gronden alsnog aan het hof kenbaar te maken. Het moet de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener bekend zijn dat terugwijzing slechts mogelijk is na vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Aan die voorwaarde is niet voldaan.
- Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.