GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.229.174/01 CJIB-nummer : 167785515 Uitspraak d.d. : 12 mei 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2017, betreffende [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft volhard in diens beslissing van 16 juni
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Van de gemachtigde van de betrokkene is op 25 april 2018 nog een brief ontvangen. De beoordeling
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroepschrift.
- Uit de stukken blijkt het volgende. Bij arrest van 14 juni 2017 (zaaknummer Wahv 200.174.875) heeft het hof: - de beslissing van de kantonrechter van 16 juni 2015 vernietigd; - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing eveneens vernietigd; - het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard en - de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten ter hoogte van € 490,-. De gemachtigde heeft op 16 juni 2017 verzocht om een herstelarrest van het hof, omdat er in beroep bij de kantonrechter – dat ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en alsnog door het hof is behandeld – is verzocht om de vaststelling van een dwangsom. Het hof heeft hierover echter geen beslissing genomen. Op 21 juli 2017 heeft de griffier van het hof de gemachtigde bericht dat in het hoger beroep geen gronden zijn aangevoerd die betrekking hebben op het vaststellen van een dwangsom of inhouden dat de kantonrechter onjuist op het verzoek heeft beslist. Verder is de gemachtigde medegedeeld dat met de uitspraak van 14 juni 2017 de procedure definitief is beëindigd en niet kan worden heropend.
- Vervolgens heeft de gemachtigde bij faxbericht van 24 juli 2017 de griffier van de rechtbank bericht dat de kantonrechter nimmer heeft beslist op het verzoek een dwangsom vast te stellen, zoals gevraagd in het beroepschrift van 10 december 2013, en wordt de kantonrechter verzocht alsnog op dit verzoek te beslissen.
- Op voornoemd verzoek van de gemachtigde heeft de kantonrechter beslist dat hij volhardt bij de inhoud van zijn beslissing van 16 juni
- Het verzoek van de gemachtigde komt erop neer dat hij de kantonrechter verzoekt om opnieuw op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te beslissen, nadat de eerdere beslissing op dat beroep door het hof was vernietigd en het hof de zaak had afgedaan. De Wahv kent niet de mogelijkheid tot het doen van een dergelijk verzoek. De kantonrechter heeft aan het verzoek geen gevolg gegeven. Deze reactie van de kantonrechter kan niet worden aangemerkt als beslissing in de zin van artikel 14 van de Wahv. Dit betekent dat hiertegen geen hoger beroep open staat.
- Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
- Gegeven deze beslissing wordt het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.