← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:3840

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.212.525/01 CJIB-nummer : 191637509 Uitspraak d.d. : 18 mei 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2017, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ingekomen. De beoordeling

  1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie tijdens de fase van het administratief beroep niet heeft voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  2. Het is vaste rechtspraak dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het om het zaakoverzicht en (indien van toepassing) een foto van de gedraging.
  3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de fase van het administratief beroep de officier van justitie heeft verzocht om toezending van onder meer de foto’s van de verweten gedraging. Uit het dossier blijkt niet dat deze foto’s de gemachtigde, voorafgaand aan het beslissen op het administratief beroep, zijn toegezonden.
  4. Voorgaande houdt in dat niet is gebleken dat de officier van justitie heeft voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, zoals door de gemachtigde is verzocht, biedt artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, gelet op de redactie daarvan, geen ruimte. Het hof zal daarom doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook deze beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.
  5. Tegen de inleidende beschikking zijn geen bezwaren meer aangevoerd. Voor zover de gemachtigde in de nadere toelichting op het beroep verzoekt om hem in de gelegenheid te stellen nadere gronden aan te voeren, gaat het hof daaraan voorbij, nu een redelijk belang daarbij ontbreekt. Daartoe wijst het hof er op dat de advocaat-generaal in het verweerschrift zijn standpunt over de inleidende beschikking naar voren heeft gebracht en daarbij foto’s van gedraging heeft overgelegd, en dat de gemachtigde daarna in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. De gemachtigde heeft niet aangegeven waarom hij geen bezwaren tegen de inleidende beschikking heeft kunnen formuleren. Aldus heeft de gemachtigde voldoende gelegenheid gehad om de bezwaren tegen de inleidende beschikking naar voren te brengen en komen de gevolgen van de omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan, voor zijn rekening.
  6. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.
  7. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. wijst het verzoek om vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.