GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.268.735/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen: 120950) arrest van 19 mei 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie, verder te noemen: de man, advocaat: mr. E. van Bommel te Appingedam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verder te noemen: de vrouw, niet verschenen. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 17 januari 2018, 31 juli 2019 respectievelijk 7 oktober 2019 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank). 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep, uitgebracht op 28 oktober 2019; - de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties. De man heeft arrest gevraagd en daartoe de stukken aan het hof overgelegd, waarna het hof een datum voor arrest heeft bepaald. 3De feiten 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.2 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en woonden samen. 3.3 Partijen zijn een samenlevingscontract aangegaan, gedateerd 30 oktober 2002. 3.4 Uit de relatie van partijen is het navolgende, thans nog minderjarige kind geboren: [de minderjarige] (roepnaam: [de minderjarige] , geboren [in] 2003 in de gemeente [B] . De man heeft [de minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . 3.5 Partijen hebben gedurende hun relatie samen een woning in (mede-)eigendom verkregen, gelegen aan de [a-straat 1] te [B] . 3.6 De relatie is in de periode september-november 2015 beëindigd en de man heeft op 14 november 2015 de gezamenlijke woning verlaten. De vrouw woont vooralsnog met [de minderjarige] in de woning. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 In eerste aanleg heeft de man, na verschillende wijzigingen en aanvullingen van eis, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat, indien de vrouw binnen een termijn van 7 dagen na afgifte van het door de rechtbank te wijzen vonnis geen opdracht verstrekt aan Schenkel Makelaardij te Hoogeveen om de woning te verkopen, het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de door de vrouw te verrichten rechtshandeling, te weten het verstrekken van de toestemming tot verkoop van de woning, staande en geleden aan de aan de [a-straat 1] te [B] ; II. te bepalen dat partijen zich aangaande de verkoop van de woning dienen te conformeren aan de adviezen van genoemd makelaarskantoor, althans een door de rechtbank aan te wijzen deskundige; III. te bepalen dat partijen ten minste één keer per drie maanden in overleg zullen treden met de makelaar over de vraagprijs van de woning, waarna de vraagprijs zal worden aangepast indien de makelaar dat adviseert en waarbij die aanpassing conform het advies van de makelaar zal plaatsvinden; IV. te bepalen dat de vrouw een woonvergoeding van jaarlijks 4% over € 550.000,- althans over de overwaarde aan de man verschuldigd is; V. te bepalen dat de vrouw de man toegang dient te verschaffen tot de kluis c.q. af te sluiten archiefkast althans de woning binnen vier weken na afgifte van het vonnis, teneinde inzage te verschaffen in alle bankgegevens van de man en partijen gezamenlijk vanaf 2002 op straffe van een dwangsom van € 250,- pér dag dat de vrouw hierbij in gebreke blijft; VI. te bepalen dat partijen de belastingaanslagen over het jaar 2015 bij helfte dienen te voldoen; VII. te bepalen dat de vrouw betreffende het haar uitbetaalde belastingvoordeel over het aandeel in de woning zijdens de man van ongeveer € 4.080,- over het jaar 2016 en over het jaar 2017 (ongeveer € 340,- per maand) dient terug te betalen aan de man binnen twee weken na afgifte van het vonnis; VIII. te bepalen dat alle belastingteruggaven tot en met 2015 bij helfte tussen partijen dienen te worden gedeeld; IX. te bepalen dat de vrouw dient te voldoen ter zake de gemeentelijke belastingen 2/3 van het bedrag ad € 633,10 aan de man, althans de gemeente Hoogeveen; X. te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na afgifte van het vonnis alle bescheiden betreffende de belastingteruggaven tot en met het jaar 2015 dient over te leggen, een en ander op straffe van een aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van het vonnis in gebreke blijft; XI. te bepalen dat de vrouw de persoonlijke spullen zoals genoemd onder punt 27 van de dagvaarding binnen twee weken na afgifte van het vonnis dient af te geven, een en ander op straffe van een aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van het vonnis in gebreke blijft; XII. te bepalen dat de vrouw een bedrag van de helft van € 14.755,- aan de man verschuldigd is in verband met de toedeling van alle gemeenschappelijke goederen van partijen; XIII. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 819,20 p.m., te vermeerderen met een bedrag van € 51,20 iedere maand vanaf 1 juli 2017 dat zij in gebreke blijft tot ondertekening van het formulier tot verdeling van de schadevrije jaren; XIV. alle vorderingen ingediend door de vrouw af te wijzen; XV. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure. 4.2 De vrouw heeft in conventie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man althans tot afwijzing van zijn vorderingen, zowel primair als subsidiair, met zijn veroordeling in de proceskosten van de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.3 De vrouw heeft in reconventie gevorderd: I. de man te veroordelen om uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het zich door hem onterecht toegeëigende bedrag van € 77.194,- terug te storten op de Profijtrekening met nummer [00000] , thans ten name van de vrouw; II. tot veroordeling van de man een bedrag van € 15.328,82 aan de vrouw te voldoen ter zake de aflossing van de restschuld van de man na verkoop van zijn woning in [C] dan wel te bepalen dat de vrouw ter zake de verdeling van de gezamenlijke woning van partijen een vergoedingsrecht heeft op de man ten bedrage van € 15.328,82; III. tot veroordeling van de man een bedrag van € 3.000,-, aan de vrouw te voldoen ter zake (vergoeding van) de door de vrouw aan de man betaalde bedrag ten behoeve van de kosten van verhuizing van de man; IV. tot veroordeling van de man een bedrag van € 3.817,98 aan de vrouw te voldoen ter zake (vergoeding van) de aflossing van het consumptief krediet van de man; V. tot veroordeling van de man een bedrag van € 12.000,- aan de vrouw te voldoen ter zake (vergoeding van) de kosten van verbouwing van de woning ten laste van het vermogen van de vrouw; VI. de man te veroordelen om met ingang van 15 november 2015 bij helfte bij te dragen in de eigenaarslasten/vaste lasten van de gezamenlijke woning van partijen aan de [a-straat 1] te [B] tot aan het moment van verkoop en levering van de woning aan een derde dan wel de vrouw, dan wel een zodanige door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de eigenaarslasten te bepalen en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; VII. tot veroordeling van de man een bedrag van € 12.154,50 aan de vrouw te voldoen ter zake (vergoeding van) de door de vrouw betaalde boete bij het oversluiten van de hypotheek van partijen. Voorts heeft de vrouw veroordeling gevorderd van de man in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.4 De rechtbank heeft in conventie - de vorderingen I-III van de man toegewezen; - de vrouw veroordeeld aan de man een woonvergoeding te voldoen ten belope van € 1.575,-; - de vrouw veroordeeld aan de man te voldoen € 422,- ter zake de gemeentelijke belastingen; - de vrouw veroordeeld om binnen twee weken na afgifte van het vonnis over te gaan tot afgifte van de persoonlijke spullen aan de man, zoals genoemd onder punt 27 van de dagvaarding; - de vrouw veroordeeld aan de man een bedrag van € 4.044,- te voldoen binnen twee weken na afgifte van het vonnis, en in reconventie - de man veroordeeld om, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, het door de man onterecht toegeëigende bedrag van € 72.597,- terug te storten op de Profijtrekening met nummer [00000] , thans ten name van de vrouw; - de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 3.000,- ter zake van (vergoeding van) het door de vrouw aan de man betaalde bedrag ten behoeve van de kosten van de verhuizing van de man; - bepaald dat de man, met ingang van 15 november 2015 en voor de duur van één jaar, de helft van de eigenaarslasten aan de vrouw dient te voldoen alsmede bepaald dat de man, tot aan het moment van levering van de woning aan een derde, de helft van de hypotheeklasten van de gezamenlijke woning aan de vrouw dient te voldoen. 4.5 De rechtbank heeft in conventie en reconventie de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. 5De beoordeling van de vorderingen en de grieven De vorderingen 5.1 De man vordert in hoger beroep in zijn appeldagvaarding vernietiging van de vonnissen van 31 juli 2019 en 7 oktober 2019 en alsnog toewijzing van zijn vordering, met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties. In zijn memorie van grieven vordert hij na vermeerdering/wijziging van eis, vernietiging van de beschikking [hof: bedoeld is het tussenvonnis] van de rechtbank van 31 juli 2019, alsnog afwijzing van de vorderingen van de vrouw, althans niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw en voorts: I. te bepalen dat de gezamenlijke woning te Hoogeveen dient te worden verkocht aan een derde, waarbij door het hof een in goede justitie te bepalen onafhankelijke NVM-makelaar wordt aangewezen die de woning dient te taxeren en een vraagprijs dient vast te stellen; II. de vrouw te veroordelen binnen 2 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest de benodigde toestemming te geven aan een in goede justitie door dit hof aan te wijzen NVM-makelaar, om de gezamenlijke woning te [B] in de verkoop te plaatsen, bij gebreke waarvan het door dit hof te wijzen arrest voor deze toestemming in de plaats kan worden gesteld, een en ander op straffe van een aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van het te wijzen arrest in gebreke blijft; III. te bepalen dat partijen met een op de gezamenlijke woning te [B] uitgebracht bod dienen in te stemmen indien de makelaar oordeelt dat een door een potentiële koper gedaan bod, ook al is dat onder de vraagprijs, redelijk is; IV. te bepalen dat de na verkoop ontstane opbrengst door partijen bij helfte zal worden gedeeld; V. de vrouw te veroordelen om vanaf de datum van feitelijk vertrek van de man tot het moment van overdracht met uitsluiting van de man alle eigenaarslasten waaronder de uit de hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen, premieverzekeringen, gemeentelijke belastingen, vastrecht en het woningforfait etc. als eigen schuld te voldoen; VI. te bepalen dat de vrouw aan de man een woon/gebruikersvergoeding dient te betalen en verschuldigd is vanaf 15 november 2015 tot het moment van overdracht van de woning aan een derde gelijk aan het aandeel van de man in de voldoening van de eigenaarslasten en hypotheeklasten althans van jaarlijks 4% over de overwaarde te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 november 2015 althans een zodanige datum als het hof wenst te bepalen; VII. te bepalen dat de vrouw de man toegang dient te verschaffen tot de kluis c.q. af te sluiten archiefkast althans de woning binnen vier weken na afgifte van het vonnis en/of te bepalen dat de vrouw haar volledige medewerking dient te verlenen ten aanzien van de afgifte van persoonlijke administratie van de man waaronder de bankafschriften van de rekeningen op naam van de man met nummers [00000] (Betaalrekening) en [00000] (ING TOP/Profijt) vanaf 2001 tot en met 2015 alsmede gezamenlijke administratie vanaf 2001 tot en met 2015 waaronder alle bankgegevens van de bankrekeningen op gezamenlijke danwel naam van de vrouw waaronder [00001] , [00001] , [00002] en [00003] op straffe van een dwangsom van € 250, - per dag dat de vrouw hierbij in gebreke blijft; VIII. te bepalen dat de vrouw dient te voldoen ter zake de gemeentelijke belastingen 2/3 van het bedrag ad € 633,10 over het jaar 2015 aan de man althans de gemeente Hoogeveen; IX. te bepalen dat alle belastingteruggaven en aanslagen tot en met 2015 bij helfte tussen partijen dienen te worden gedeeld; X. te bepalen dat de belastingaanslag over het jaar 2015 ad. € 3.115,- door partijen bij helfte wordt voldaan; XI. te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na afgifte van het door het hof te wijzen arrest alle bescheiden betreffende de belastingteruggaven tot en met het jaar 2015 dient over te leggen, een en ander op straffe van een aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van het door dit hof te wijzen arrest in gebreke blijft; XII. te bepalen dat de vrouw dient te voldoen ter zake de gemeentelijke belastingen vanaf 15 november 2015 tot aan het moment van overdracht van de woning aan een derde althans te bepalen dat de aanslagen gemeentelijke belastingen door partijen tezamen worden voldaan; XIII. te bepalen dat de vrouw de persoonlijke spullen zoals genoemd onder punt 27 van de dagvaarding in eerste aanleg binnen twee weken na afgifte van het door dit hof te wijzen arrest dient af te geven, een en ander op straffe van een aan de man te verbeuren dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van het door het hof te wijzen arrest in gebreke blijft; XIV. te bepalen dat de man nog een bedrag toekomt althans een vergoedingsrecht heeft van € 12.000,- uit het gemeenschappelijk vermogen, die hij heeft verkregen uit een erfenis van zijn ouders; XV. te bepalen dat de vrouw een bedrag van de helft van € 14.755,- aan de man verschuldigd is in verband met de toedeling van alle gemeenschappelijke goederen van partijen; XVI. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 819,20 p.m., te vermeerderen met een bedrag van € 51,20 iedere maand vanaf 1 juli 2017 dat zij in gebreke blijft tot ondertekening van het formulier tot verdeling van de schadevrije jaren; XVII. primair te bepalen dat het saldo van de bankrekeningen met nummers [00000] (Betaalrekening Man) en [00000] (Spaarrekening man/ING TOP/Profijt) ten name van de man per peildatum volledig toekomen aan de man en geheel subsidiair te bepalen dat de man een vergoeding verschuldigd is aan de vrouw niet meer dan de helft danwel evenredig deel conform inbreng door partijen individueel danwel een door dit hof te bepalen vergoeding van het saldo per peildatum; XVIII. primair te bepalen dat het saldo van de bankrekeningen ten name van de vrouw met nummers [00001] (Betaalrekening vrouw) en [00001] (Spaarrekening vrouw/ING TOP/Profijt) en [00002] (Betaalrekening vrouw) volledig toekomt aan de vrouw en geheel subsidiair te bepalen dat de vrouw een vergoeding verschuldigd is aan de man niet meer dan de helft dan wel evenredig deel conform inbreng door partijen individueel dan wel een door dit hof te bepalen vergoeding van het saldo per peildatum; XIX. de bankrekening met nummer [00003] ten name van partijen toe te delen aan de vrouw onder verrekening van de helft van het saldo per peildatum die de vrouw aan de man dient te voldoen; XX. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. 5.2 De vrouw is in hoger beroep niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. De wijziging van eis 5.3 Op grond van artikel 353 lid 1 Rv in samenhang met artikel 130 lid 3 Rv is verandering of vermeerdering van eis uitgesloten als de wederpartij niet verschijnt, tenzij de eisende partij deze verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan de wederpartij kenbaar heeft gemaakt. Strekking van deze regel is dat voorkomen moet worden dat de niet verschenen gedaagde of geïntimeerde tot iets kan worden veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd (vgl. HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319). Aangezien niet is gebleken dat de bij memorie van grieven gedane eiswijziging tijdig bij exploot aan de vrouw is betekend – dit processtuk vermeldt alleen toezending per post/per e-mail -, is de eiswijziging door de man niet toegestaan en zal uitsluitend de vordering, zoals geformuleerd bij appeldagvaarding en hiervoor weergegeven (rov. 5.1) kunnen worden beoordeeld, met dien verstande dat vernietiging van het vonnis van 7 oktober 2019 niet meer aan de orde is, nu de man zijn vordering in dat opzicht heeft verminderd in zijn memorie van grieven, zodat dat vonnis niet meer aantastbaar is. 5.4 De vordering van de man als ingesteld in zijn appeldagvaarding wordt door het hof opgevat als een vordering tot toewijzing van zijn (meermaals gewijzigde) vorderingen in eerste aanleg, zoals laatstelijk geformuleerd in zijn akte uitlatingen tevens wijziging c.q. aanvulling van eis. De vorderingen als ingesteld in de memorie van grieven sub I tot en met III, zijn daarmee niet toelaatbaar voor zover deze afwijken van de vorderingen sub I tot en met III in eerste aanleg. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de vorderingen sub VI en VII. Voor de vorderingen sub IV, XII, XIV en XVII tot en met XIX geldt dat zij niet toelaatbaar zijn omdat zij geen onderdeel waren van de vorderingen in eerste aanleg, als hiervoor omschreven. De grieven 5.5 De man heeft het vonnis bestreden met een twaalftal grieven. Het hof zal de grieven hierna thematisch bespreken. Omdat de vrouw in het hoger beroep niet is verschenen, is het van belang in dit kader op te merken dat de devolutieve (afwentelende) werking van het hoger beroep meebrengt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de vorderingen van de man hem ongegrond of onrechtmatig voorkomen (zie art. 139 Rv), de bestreden uitspraak dient te betrekken en mede acht moet slaan op hetgeen de vrouw in eerste aanleg als gedaagde in conventie en als eiseres in reconventie heeft aangevoerd. Makelaar, dwangsom 5.6 Met zijn eerste grief stelt de man aan de orde dat de door de rechtbank aangewezen makelaar Schenkel Makelaardij te Hoogeveen zich niet bereid heeft getoond de in 5.1-5.3 van het dictum van het vonnis aan deze toebedachte rol te vervullen en dat de man daardoor in zijn belangen bij verkoop van de woning van partijen wordt geschaad. Daarnaast stelt de man aan de orde dat de vrouw niet bereid is de in genoemd deel van het dictum aan haar opgelegde verplichtingen na te leven. Naar de mening van de man dient een andere NVM-makelaar te worden aangewezen en is het opleggen van een dwangsom aan de vrouw voor het geven van toestemming voor het in de verkoop plaatsen onder de huidige omstandigheden gepast. De grief is gericht tegen de toegewezen vorderingen I tot en met III in eerste aanleg. Die vorderingen zijn toegewezen zoals was gevorderd. In zoverre heeft de man geen belang bij die grief. Voor zover de grief beoogt die toewijzing te veranderen, valt zij onder de niet toegelaten wijziging van eis, en faalt zij. Woonvergoeding en bijdrage man in de eigenaars- en hypotheeklasten 5.7 Onderwerp van de tweede en derde grief vormt het oordeel van de rechtbank omtrent de hoogte van de door de vrouw aan de man verschuldigde woonvergoeding en het aan de man opleggen van de verplichting bij te dragen in de eigenaars- en hypotheeklasten. De man is van oordeel dat de rechtbank de door de vrouw verschuldigde woonvergoeding op een te laag bedrag heeft bepaald en dat die moet worden vastgesteld op de helft van de aan de woning verbonden eigenaars- en hypotheeklasten, zolang de woning gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Verder meent de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij de helft van de eigenaarslasten vanaf 15 november 2015 tot en met 15 november 2016 alsmede de helft van de hypotheeklasten vanaf 15 november 2015 tot aan verkoop van de woning dient te voldoen. 5.8 Ten aanzien van de door de man gevorderde woonvergoeding overweegt het hof als volgt. Voor zover deze vordering ertoe strekt om aan de man een woonvergoeding toe te kennen van jaarlijks 4% over de overwaarde van de woning vanaf 15 november 2015 tot datum overdracht aan een derde overweegt het hof dat deze vordering hem niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. Voor zover deze vordering ertoe strekt dat de vrouw een woonvergoeding moet betalen die hoger of anders is dan de hiervoor genoemde vergoeding, geldt dat de vordering niet toelaatbaar is omdat deze geen onderdeel vormde van de vorderingen in eerste aanleg. Om deze reden is ook de vordering ter zake van wettelijke rente over de woonvergoeding niet toelaatbaar. 5.9 Over de bijdrageplicht van de man in de eigenaars- en hypotheeklasten oordeelt het hof als volgt. De woning betreft een gemeenschappelijk goed tussen de man en de vrouw als bedoeld in art. 3:166 BW. Uit de artikelen 3:166 lid 2 en 3:172 BW volgt als hoofdregel dat, nu de man en de vrouw ieder voor 50% gerechtigd zijn tot de eigendom van de woning, ieder van hen conform dit eigen aandeel in het gemeenschappelijk goed dient bij te dragen in de kosten daarvan (eigenaarslasten en hypotheeklasten). Uit een andersluidende regeling tussen partijen (waarvan in dit geval geen sprake
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.