GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.256.809/01 (zaaknummers rechtbank Gelderland, 331058 en 339185) beschikking van 16 januari 2020 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.E. Klaassen te Nijmegen, en [verweerder] , wonende te [B] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. H.A.M. Ritsma-Hartman te Nijmegen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 24 december 2018 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 4, ingekomen op 22 maart 2019; - de aanvulling/nadere toelichting/correctie op het beroepschrift; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 6; - een journaalbericht van mr. Klaassen van 18 november 2019 met productie 5; - een journaalbericht van mr. Ritsma-Hartman van 25 november 2019 met producties 7a tot en met 13. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 1996 te [B] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. 3.2 Beiden hebben de Nederlandse nationaliteit. 3.3 Uit het huwelijk zijn te [B] twee thans meerderjarige kinderen geboren: - [C] , [in] 1998 en - [D] , [in] 2000. 3.4 Partijen hebben op 4 mei 2017 een overeenkomst met als opschrift: “VASTSTELLINGSOVEREENKOMST in de zin van de wet (art. 7:900 Burgerlijk Wetboek)” getekend waarin zij de vermogensrechtelijke gevolgen van hun (voorgenomen) echtscheiding hebben geregeld. Bij deze overeenkomst behoort een addendum genaamd ‘Addendum bij de vaststellingsovereenkomst’ met datum 16 mei 2017, eveneens door beide partijen ondertekend. 3.5 Het huwelijk van partijen is [in] 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 december 2018 in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand. 3.6 Op 26 april 2019 zijn de panden [a-straat 1] te [B] en [b-straat 2] te [E] aan de man geleverd. 3.7 Op 30 juli 2019 is het pand [c-straat 3] te Elst aan de vrouw geleverd. 4De omvang van het geschil 4.1 De vrouw is met dertien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, zulks voor zover in het dictum onder 4.3 tot en met 4.7 en 4.9 gegeven en alsnog rechtdoende: - te vernietigen de overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen 4/16 mei 2017, subsidiair te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw door de man wordt gehouden aan de overeenkomst van 4/16 mei 2017 en te bepalen dat deze overeenkomst partijen niet meer bindt; - voorts – na wijziging ter zitting in verband met reeds levering over en weer van de panden (zie rov. 3.6 en 3.7) – vast te stellen dat reeds verdeling heeft plaatsgevonden van de navolgende eenvoudige gemeenschappen: - [a-straat 1] te [B] ; - [b-straat 2] te [E] , waarbij deze onroerende zaken zullen worden toegedeeld aan de man en - [c-straat 3] te [B] , waarbij deze onroerende zaak zal worden toegedeeld aan de vrouw, onder de gehoudenheid van partijen de aan deze (individueel te onderscheiden) onroerende zaken verbonden schulden, al dan niet onder hypothecair verband en zoals genoemd in productie 1 hoger beroep, te dragen als eigen schuld, waarbij de vrouw als eigen schuld draagt de schuld verbonden aan de [c-straat 3] te [B] en ervoor heeft zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit de aansprakelijkheid betreffende deze schuld en de man als eigen schuld draagt de schuld verbonden aan de [a-straat 1] te [B] en de [b-straat 2] te [E] en ervoor heeft te zorgen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreffende deze schulden; - de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen per – na wijziging ter zitting – datum beschikking (de helft van) de (gesaldeerde) overwaarde van voormelde onroerende zaken (onderhandse verkoop minus de daarop rustende schulden); - de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen, waarbij de verrekening wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in productie 1 hoger beroep, met veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 218.368,-- + de helft van de PM-posten minus de helft van de (gesaldeerde) overwaarde van de aan partijen in eenvoudige gemeenschap toebehorende onroerende zaken, althans enig bedrag zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens. 4.2 De vrouw heeft op 25 maart 2019 een akte houdende aanvulling/nadere toelichting/correctie in hoger beroep genomen. 4.3 De man heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dit af te wijzen en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de overeenkomst die zij 16 mei 2017 met elkaar hebben gesloten dient te worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 5.2 Ingevolge artikel 7:900 BW is een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst die is gericht op beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of een geschil. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand. 5.3 De vraag of sprake is van een vaststellingsovereenkomst is afhankelijk van de uitleg van de betreffende overeenkomst. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, (Haviltex)). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol en kan mede betekenis worden toegekend aan gedragingen en uitlatingen van partijen na de schriftelijke overeenkomst. 5.4 Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Na hun uiteengaan in september 2016 hebben partijen een begin hebben gemaakt met het in onderling overleg regelen van de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Omdat dat niet tot concrete afspraken leidde zijn partijen in januari 2017 met een mediationtraject gestart. Gedurende het mediationtraject heeft de vrouw een koopovereenkomst voor een woning in [F] getekend. Om een financiering te krijgen eiste de hypotheekverstrekker van de vrouw een schriftelijke bevestiging waaruit zou blijken dat de onroerende zaken die in de vermogensstaat werden opgevoerd aan de man zouden worden toegedeeld en het praktijkpand aan de vrouw. De vrouw heeft de man verzocht om dit gezamenlijk te regelen en het een en ander op papier te zetten. De man heeft geantwoord dat hij geen deelregeling wilde, maar een algehele vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen en dat partijen een overeenkomst zouden moeten sluiten over alle vermogensbestanddelen. De vrouw heeft daar toen mee ingestemd. Omdat de mediator niet in staat was om binnen de korte termijn die de vrouw voor de financiering van haar woning had met partijen tot een overeenkomst te komen, hebben partijen de hulp van hun gezamenlijke accountant ingeroepen. Partijen zijn vervolgens met behulp van hun accountant in overleg gegaan en als resultaat van dat overleg is door partijen op 4 mei 2017 de onder 3.4 vermelde overeenkomst getekend, met als opschrift: “VASTSTELLINGSOVEREENKOMST in de zin van de wet (art. 7:900 Burgerlijk Wetboek)” getekend. Voorts is ook in de slotbepaling onder 3.2 opgenomen “ Partijen verklaren de strekking en de inhoud van de overeenkomst volledig te hebben begrepen en doen afstand van elk recht om na ondertekening vernietiging of ontbinding van dit convenant te verkrijgen op basis van wilsgebreken of anderszins. (…) Partijen verklaren, dat na effectuering van het bovenstaande, geen der partijen substantieel is over- of onderbedeeld.” Hierna is nog op 16 mei 2017 het addendum, met de meest recente verrekenstaat, door beide partijen getekend. 5.5 Het hof is van oordeel dat de overeenkomst is aan te merken als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. De overeenkomst sluit de onderhandelingen af die partijen begonnen waren op 11 november 2016 met de eerste opzet voor een verrekenstaat van de accountant en waarover partijen in het mediationtraject verder onderhandeld hebben. Het verloop van die onderhandelingen blijkt onder meer uit de e-mail van de man gericht aan de accountant van partijen van 30 april 2018 en het daarop bevestigende antwoord van de accountant bij e-mail van 4 mei 2018. Vast staat dat partijen nog niet volledig uit die onderhandelingen waren toen de vrouw de man een eindvoorstel heeft gedaan waarbij € 50.000,- betaald zou worden, welk voorstel de man vervolgens heeft geaccepteerd. Het hof leidt dit af uit de bedragen van boven de € 80.000,- die voorkomen op bijlage 1 bij de overeenkomst en die zijn doorgestreept en vervangen door het bedrag van € 50.000,-. Daarmee hebben partijen een einde gemaakt aan het geschil dat zij hadden over de waarde van een ieders aandeel in de eenvoudige gemeenschappen die op die bijlage 1 zijn vermeld. Het hof verwijst ook naar het addendum bij de vaststellingsovereenkomst waarin is opgenomen: “(…) Hiermee is tevens tegen algehele kwijting over en weer een akkoord verkregen vanuit beide partijen op de reeds genoemde (meest recente versie van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.