GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers: 19/00380, 19/00381 en 19/00382 uitspraakdatum: 26 mei 2020 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 maart 2019, nummers AWB 17/6332, 17/6333 en 17/6334, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur). 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De Inspecteur heeft aan belanghebbende een beschikking ambtshalve vermindering inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2014 (aanslagnummer [000.00.000] .H.46.01) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.132 en een aanslag IB/PVV over het jaar 2016 (aanslagnummer [000.00.000] .H.66.01) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.
- Daarnaast heeft de Inspecteur een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over het jaar 2016 (aanslagnummer [000.00.000] .W.66.01.4) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 12.
- 1.
- Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de ambtshalve vermindering 2014 en de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende is tegen de uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart
- Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota met bijlage overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende woonde in 2014 en 2016 in Nederland. In deze jaren heeft belanghebbende inkomen uit vroegere dienstbetrekking van de Sociale Verzekeringsbank ontvangen. Ook heeft hij twee uit Duitsland afkomstige (pensioen)uitkeringen ontvangen. De bedragen zijn als volgt (in €): 2014 2016 Sociale Verzekeringsbank (SVB) 8.008 8.147 Deutsche Renteversicherung (altersrente) 6.879 7.231 Bayerische Versorgungskammer 5.245 5.245 Totaal 20.132 20.623 2.
- Belanghebbende heeft bovengenoemde inkomens vermeld in zijn aangiften IB/PVV. In zijn aangiften heeft hij niet verzocht om aftrek ter voorkoming van dubbele belastingen. De Inspecteur heeft de aanslagen overeenkomstig de aangiften vastgesteld zonder rekening te houden met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. 2.3 Bij ambtshalve vermindering van 18 juli 2017 heeft de Inspecteur voor het jaar 2014 alsnog aftrek ter voorkoming van dubbele belastingen verleend. Het tegen deze ambtshalve vermindering gerichte bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen. Voor het jaar 2016 heeft de Inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar aftrek ter voorkoming van dubbele belastingen verleend. Het bezwaar tegen de aanslag Zvw is door de Inspecteur afgewezen. 3Geschil 3.
- In geschil is of aanslagen IB/PVV 2014 en 2016 en de aanslag Zvw 2016 te hoog zijn omdat Nederland geen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet mag heffen over de uit Duitsland ontvangen uitkeringen. 3.
- Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2016 en vernietiging van de aanslag Zvw
- De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.
- Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffing van IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in Nederland over de uit Duitsland ontvangen uitkeringen in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en wijst daarbij op de internationale concerns [A] en [B] die volgens belanghebbende geen belasting betalen in Nederland. Deze stelling kan belanghebbende niet baten. Het is de rechter niet toegestaan de grondwettigheid van wetten en verdragen te toetsen (artikel 120 van de Grondwet). 4.
- De Rechtbank heeft ten aanzien van de aanslagen IB, PVV en Zvw als volgt overwogen: “
- De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB 2014 en 2016 juist zijn vastgesteld. Verweerder heeft zowel voor 2014 als 2016 aan eiser vermindering ter voorkoming van dubbele belastingen verleend. Deze vermindering heeft verweerder correct berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van het Besluit voorkoming dubbele belasting
- De klacht van eiser dat zijn aanslagen hoger zijn vastgesteld dan met hem vergelijkbare gevallen, is niet aannemelijk geworden. [B] en [A] zijn geen aan eisers situatie gelijke gevallen. Ook gaat de rechtbank niet mee met de stelling van eiser dat het Belastingverdrag Nederland en Duitsland 2012 nietig zou zijn, omdat de inkomensgrens van € 15.000 als genoemd in artikel 17, tweede lid, van het verdrag willekeurig zou zijn. Nog daargelaten dat in 2016 op grond van het overgangsrecht het Belastingverdrag Nederland- Duitsland 1959 is toegepast, is de rechtbank van oordeel dat het Belastingverdrag Nederland- Duitsland 2012 niet willekeurig is. Deze inkomensgrens is overeengekomen als gevolg van bilateraal overleg tussen de Nederland en Duitsland. Het verdrag is parlementair behandeld en is goedgekeurd door de Tweede Kamer bij Kamerstukken II, 2012-2013, 33 615, nr.
- De inkomensgrens van € 15.000 die volgens eiser arbitrair is, maakt niet dat het verdrag nietig is. Als gevolg van het aan Nederland toegewezen heffingsrecht over pensioenen tot € 15.000 heeft eiser niet de keuze zijn inkomen in de Duitse belastingheffing te laten betrekken.
- Voor zover eiser heeft gesteld dat hij de procedures bij het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden over de jaren 2012 en 2013 heeft ingetrokken op basis van een toezegging, is hij in de gelegenheid gesteld het proces-verbaal van de zitting in geding te brengen. Het proces¬ verbaal van de zitting van 9 mei 2017 geeft echter geen aanleiding te concluderen dat enige toezegging is gedaan. Evenmin leest de rechtbank in het proces-verbaal dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de door eiser gegeven uitleg van de regelgeving, zoals een geldend tarief voor de inkomstenbelasting van 5%, juist acht. Gelet daarop slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Heffing van premie volksverzekeringen (PVV)
- Op grond van artikel 11, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 geldt dat de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat van de woonplaats, in dit geval Nederland, van toepassing is. Dat betekent dat eiser op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet financiering sociale volksverzekeringen (hierna: Wfsv) premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
- De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige (zie artikel 7 Wfsv). Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (zie artikel 8 Wfsv). Dat betekent dat verweerder terecht ook de Duitse pensioenen tot het premie-inkomen van de Wfsv heeft gerekend. De aanslagen PVV 2014 en 2016 zijn dan ook tot de juiste bedragen opgelegd. Heffing van inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW)
- Omdat eiser inwoner is van Nederland is hij van rechtswege verzekerd voor de Wet langdurige zorg. In artikel 2 van de Zorgverzekeringswet is bepaald dat eiser dan verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren. Op grond van artikel 43, tweede lid, onderdeel a, ten tweede, van de Zorgverzekeringswet is de verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het loon, bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet IB
- Hieruit volgt dat de Duitse pensioeninkomens tot het bijdrage-inkomen behoren. De aanslag ZVW 2016 is dan ook tot het juiste bedrag opgelegd” 4.
- Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de aanslagen IB/PVV 2014 en 2016 juist zijn vastgesteld en dat voor zowel voor 2014 als 2016 aan belanghebbende vermindering ter voorkoming van dubbele belasting tot het juiste bedrage is verleend. Net als de Rechtbank leest het Hof in het door belanghebbende aangehaalde proces-verbaal geen enkele toezegging die tot een heffing van 5% zou kunnen leiden. Daarnaast heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de uit Duitsland ontvangen uitkeringen van belanghebbende tot het bijdrage-inkomen behoren en dat de aanslag Zvw tot het juiste bedrag is opgelegd. Ook de stelling van belanghebbende dat er in de jaren voor 2016 ten onrechte Zvw zouden zijn geheven, kan niet leiden tot een ander oordeel. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr.drs. P. Fortuin en mr.drs. M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.B.A. Vriens als griffier. De beslissing is op 26 mei 2020 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter en de overige raadsheren zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Daarom is deze uitspraak alleen ondertekend door de griffier. De griffier, Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 mei
- Rechtsmiddelverwijzing Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.