GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.278.677 (insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/20/188/F) arrest van 3 juni 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. S.S. van Gijn, tegen de StichtingStichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf, gevestigd te Zeist, geïntimeerde, hierna: BPF Schilders, advocaat: mr. E.T. van den Hout. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Op 31 januari 2020 heeft BPF Schilders de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), verzocht ten aanzien van [appellant] het faillissement uit te spreken. 1.2 Op 21 april 2020 heeft de rechtbank dat verzoek ter zitting behandeld, waarbij mr. Van den Hout namens BPF Schilders en [appellant] telefonisch zijn gehoord. 1.3 De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot 19 mei 2020, onder de voorwaarde dat [appellant] een bedrag van € 3.200 ten behoeve van BPF Schilders zou overmaken naar de derdenrekening van GGN Mastering Credit N.V. 1.4 Op 19 mei 2020 heeft de voortgezette behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. [appellant] heeft - zo begrijpt het hof - geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om daarbij telefonisch te worden gehoord. 1.5 Bij (verbeterd) vonnis van de rechtbank van 19 mei 2020 is [appellant] in staat van faillissement verklaard. Daarbij is mr. J.J.P.T. van Summeren tot curator benoemd. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 20 mei 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 mei 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen. 2.2 Het hof heeft naast het verzoekschrift met bijlagen kennisgenomen van het faxbericht met bijlage van 25 mei 2020 van mr. Van Gijn en van de op 28 mei 2020 ingekomen faxberichten van mr. Van den Hout, de curator en mr. Van Gijn. 2.3 Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden en is het hoger beroep op de stukken afgedaan. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Nu ook in hoger beroep niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van [appellant] zich in een andere lidstaat dan Nederland bevindt, gaat het hof, evenals de rechtbank, op grond van het bepaalde in artikel 3 van de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. 3.2 De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard, omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van BPF Schilders en omdat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. 3.3 Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een tijdens de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager alsmede van het (thans) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. 3.4 Het hof oordeelt als volgt. Nu [appellant] aan de hand van een betalingsbewijs heeft aangetoond dat hij op 18 mei 2020, dus tijdig, heeft voldaan aan de voorwaarde van betaling van het openstaande bedrag van € 3.200 aan BPF Schilders, is komen vast te staan dat ten tijde van de beslissing van de rechtbank geen sprake meer was van een vorderingsrecht van BPF Schilders jegens [appellant] . Om die reden hebben zowel BPF Schilders als de curator ingestemd met de door [appellant] verzochte vernietiging van het faillissement. [appellant] en BPF Schilders hebben te kennen gegeven dat zij de proceskosten onderling hebben geregeld, zodat daarover niet meer hoeft te worden beslist. Ter zake de betaling van de faillissementskosten zijn zij overeengekomen dat BPF Schilders het door de curator opgegeven - en niet betwiste - salaris van € 726 inclusief btw zal voldoen. 3.5 Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 mei 2020 en, opnieuw recht doende: wijst het verzoek tot faillietverklaring van [appellant] alsnog af; stelt de faillissementskosten vast op € 726 (inclusief btw) en bepaalt dat deze kosten ten laste van BPF Schilders komen. Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, H.L. Wattel en C.J.H.G. Bronzwaer, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Wattel, en op 3 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.