← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:4353

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.261.949/01 CJIB-nummer : 218074067 Uitspraak d.d. : 8 juni 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2019, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2018 om 08.41 uur op de A6 (Lelystad 10) in Lelystad met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
  2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat er volledig wordt voorbijgegaan aan de omstandigheden (aanleiding) en dat er sprake is van aantoonbaar onjuiste verklaringen door de ambtenaar in het dossier. In de uitspraak van de kantonrechter is onvoldoende meegewogen het buitenproportionele optreden van de ambtenaar dat aanleiding was voor de overtreding en dat burgers nodeloos in gevaar heeft gebracht. Verder voert de betrokkene aan dat de ambtenaar ambtsedig onjuist verklaringen heeft afgelegd omtrent de verklaring van de betrokkene. De betrokkene is van mening dat een diender die zich misdraagt en daarop wordt ‘betrapt’, geen boetes mag uitschrijven ten aanzien van de manier van ‘betrappen’ en wisselende verklaringen mag afleggen als alle handelingen van die diender ten doel hebben een burger, die hem op zijn laakbare gedrag aanspreekt, bewust en opzettelijk te benadelen met hulp van het rechtssysteem. Het bedrag van de sanctie moet, zo begrijpt het hof, op nihil worden gesteld. Daarbij is ook de duur van de procedure van belang.
  3. De gedraging wordt niet betwist. Dat betekent dat voor de vaststelling van de gedraging niet van belang is of de ambtenaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de verklaringen die de betrokkene heeft afgelegd.
  4. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er -hoewel kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht- omstandigheden zijn om te bepalen dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.
  5. Het hof begrijpt dat de betrokkene de mobiele telefoon tijdens het rijden in zijn hand heeft gehouden teneinde foto- en filmopnamen van het -in de ogen van de betrokkene- onverantwoorde rijgedrag van de ambtenaar te maken.
  6. De opvatting van de betrokkene, dat geen sanctie mag worden opgelegd voor een gedraging die noodzakelijk was om de ambtenaar te betrappen, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rijgedrag van de ambtenaar niet op andere wijze aan de kaak kon worden gesteld dan middels -tijdens het besturen van een auto- met de mobiele telefoon gemaakte foto- en/of filmopnamen.
  7. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene over het optreden van de ambtenaar een klacht heeft ingediend bij de politie en op een aantal punten in het gelijk is gesteld. Niet is aannemelijk geworden dat de ambtenaar slechts met het oogmerk om te voorkomen dat de betrokkene de ambtenaar op zijn laakbare gedrag zou aanspreken een sanctie heeft opgelegd of wisselende verklaringen heeft afgelegd.
  8. De klacht over de duur van de procedure leidt evenmin tot de conclusie dat opleggen van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaren heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaren. Die termijn vangt aan op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld.
  9. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet is overschreden.
  10. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.