GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.240.176/01 CJIB-nummer : 209164039 Uitspraak d.d. : 9 juni 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode en de omschrijving van de gedraging in die beslissing gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen, omdat ten onrechte is afgezien van een hoorzitting. De gemachtigde heeft verzocht in persoon te worden gehoord en heeft niet aangegeven dat hij enkel op het [000] nummer bereikbaar is. 2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 2 augustus 2017 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van de gronden van het beroep. Bij brief van 24 augustus 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen een termijn van vier weken te herstellen. Bij brief van 28 augustus 2017 is de gemachtigde vervolgens uitgenodigd voor een hoorzitting op 7 november 2017. Op 8 september 2017 heeft de gemachtigde schriftelijk verzocht om uitstel voor het indienen van gronden. In een brief van 19 september 2017 is de gemachtigde opnieuw uitgenodigd voor de hoorzitting van 7 november 2017. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld: ‘In uw beroepschrift heeft u aangegeven dat u de gronden van het beroep op een later moment wenst aan te vullen. U krijgt hiervoor tijdens het horen de gelegenheid.’ De gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 26 oktober 2017 aangegeven dat hij graag in persoon wil worden gehoord, maar dat de hoorzitting niet op 7 november 2017 kan plaatsvinden. De gemachtigde heeft de gronden van het beroep bij brief van 6 november 2017 schriftelijk aangevuld. Bij brief van 8 november 2017 is de gemachtigde nog éénmaal de mogelijkheid geboden om het beroep en de gronden persoonlijk toe te lichten op een hoorzitting op 19 december 2017 om 13.00 uur. Op 23 november 2017 heeft de gemachtigde aangegeven dat hij op voornoemde datum niet is staat is te worden gehoord. 3. De officier van justitie heeft het beroep op 4 december 2017 ongegrond verklaard. Van het horen is afgezien, omdat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van voornoemde mogelijkheden om te worden gehoord op een fysieke hoorzitting en de gemachtigde zou hebben aangegeven dat hij alleen via het opgegeven betaalnummer bereikbaar is. 4. Het hof is met de gemachtigde van oordeel dat in de motivering van de beslissing van de officier van justitie ten onrechte wordt overwogen dat de gemachtigde via een betaalnummer telefonisch wilde worden gehoord, nu de gemachtigde heeft verzocht om een fysieke hoorzitting. Dat de gemachtigde zich twee keer heeft afgemeld voor de aangeboden mogelijkheden om op een fysieke hoorzitting te worden gehoord kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord. Wel mocht van de gemachtigde worden verwacht te vermelden om welke reden de fysieke hoorzitting van 19 december 2017 geen doorgang kon vinden, te meer nu de eerste fysieke hoorzitting ook al wegens het niet beschikbaar zijn van de gemachtigde geen doorgang kon vinden. Nu de gemachtigde dit heeft nagelaten, was er geen aanleiding om de fysieke hoorzitting van 19 december 2017 niet door te laten gaan. Dat de fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden, blijkt uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 19 december 2017 is gemaakt en dat de officier van justitie al op 4 december 2017 en dus voor de datum van de fysieke hoorzitting heeft beslist op het beroep. 5. Nu er geen fysieke hoorzitting heeft plaatsgevonden, kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen die beslissingen zal het hof daarom buiten beschouwing laten. 6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “N470C - Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de gordel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.