GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.272.592 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/362291) arrest in kort geding van 16 juni 2020 in de zaak van 1. de coöperatie Coöperatie VGZ U.A., gevestigd te Arnhem, 2. de naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, 3. de naamloze vennootschap Univé Zorg N.V., gevestigd te Arnhem, 4. de naamloze vennootschap IZA Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, 5. de naamloze vennootschap Zorgverzekeraar UMC N.V., gevestigd te Arnhem, 6. de stichting Stichting IZZ, gevestigd te Apeldoorn, hierna: gezamenlijk en in enkelvoud VGZ, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. T.R.M van Helmond, tegen de stichting Stichting Revalidatiegeneeskunde Nederland, gevestigd te Goes, hierna: SRN, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, advocaat: mr. K. Mous. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 19 december 2019 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 21 januari 2020 met grieven en producties, - de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep en tevens houdende memorie van eiswijziging met producties, - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties, - de spreekaantekeningen van beide advocaten ten behoeve van de mondelinge behandeling. Ter zitting is akte verleend van de aanvullende producties L tot en met X die bij brief van 4 mei 2020 door mr. Mous namens SRN zijn ingebracht, en van de aanvullende producties U en V die bij brief van 12 mei 2020 door mr. Van Helmond namens VGZ zijn ingebracht. 2.2 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 3.2 SRN exploiteert sinds 1 april 2014 een instelling voor medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR) en beschikt over een toelating op basis van de Wet Toelating Zorginstellingen. Zij heeft in totaal negen vestigingen in de provincie Zeeland. SRN behandelt patiënten die kampen met lichamelijke en psychische problemen, die beperkingen opleveren voor deelname aan het maatschappelijke leven. Onder deze patiënten vallen onder meer verzekerden van VGZ (circa 15% van de patiëntenpopulatie van SRN). SRN heeft voor het jaar 2019 geen contract met VGZ kunnen afsluiten en biedt aan de verzekerden van VGZ aldus niet-gecontracteerde zorg. Met diverse andere zorgverzekeraars heeft SRN wel een contract. 3.3 VGZ is een zorgverzekeraar die zorg voor haar verzekerden vergoedt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). 3.4 Sinds 1 januari 2018 hanteert VGZ in haar polisvoorwaarden voor de basisverzekering een zogenaamd machtigingsvereiste in geval van MSR. Deze eis houdt in dat verzekerden die zich onder behandeling willen laten stellen van een niet-gecontracteerde revalidatie-instelling voorafgaand aan hun behandeling toestemming moeten vragen aan de zorgverzekeraar om de behandeling vergoed te krijgen. De Polisvoorwaarden VGZ 2018 vermelden daarover onder meer het volgende: ‘(…) 1.9. Verwijzing, voorschrift of toestemming Voor sommige vormen van zorg hebt u een verwijzing, voorschrift en/of voorafgaande schriftelijke toestemming nodig, waaruit blijkt dat u bent aangewezen op de zorg. Dit geven wij aan in het betreffende zorgartikel. Een verwijzing, voorschrift en/of toestemming vooraf is niet nodig voor acute zorg, dat wil zeggen die redelijkerwijs niet kan worden uitgesteld. Verwijzing of voorschrift Staat in het zorgartikel dat u een verwijzing of voorschrift nodig hebt? Dan kunt u die vragen aan de zorgaanbieder die we in het artikel noemen. Vaak is dat de huisarts. Toestemming U hebt in een aantal gevallen onze toestemming nodig voordat de zorg wordt geleverd. Deze toestemming noemen we ook wel een machtiging. Als u vooraf geen toestemming hebt gekregen, dan hebt u geen recht op (vergoeding van de kosten van) de zorg. Gaat u naar een zorgaanbieder waarmee wij voor de betreffende zorg een overeenkomst hebben gesloten? Dan hoeft u niet zelf toestemming bij ons aan te vragen. (…) Gaat u naar een zorgaanbieder waarmee wij voor de betreffende zorg geen overeenkomst hebben gesloten? Dan moet u zelf bij ons toestemming aanvragen. (…) Artikel 15. Revalidatie 15.1. Revalidatie (…) Toestemming U hebt vooraf onze toestemming nodig. De toestemmingsprocedure vindt u in artikel 1.9 van deze voorwaarden. (…)’ 3.5 Verder heeft VGZ besloten dat met ingang van 1 januari 2018 niet-gecontracteerde zorgaanbieders bij iedere vervolg ‘DBC op weg naar Transparantie’ (DOT) opnieuw een machtiging moeten aanvragen, ook als sprake is van een (geplande) voortzetting van de oorspronkelijke behandeling waarvoor al toestemming is verleend. 3.6 Behoudens enkele opstartproblemen kort na de invoering van het machtigingsvereiste, heeft de nieuwe handelwijze van VGZ aanvankelijk niet tot noemenswaardige problemen geleid. 3.7 De polisvoorwaarden van VGZ zijn voor het jaar 2019 ten aanzien van het machtigingsvereiste ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2018. 3.8 Bij e-mailbericht van 25 februari 2019 (productie 7 VGZ ten behoeve van het kort geding in eerste aanleg) heeft de heer [A] (hierna: [A] ) namens VGZ aan SRN bericht dat met ingang van 15 maart 2019 de werkafspraak waarbij VGZ de aanvragen vooraf niet inhoudelijk beoordeelde maar achteraf door middel van materiële controle, zal worden beëindigd. Aanleiding daarvoor was de start van een analyse door de afdeling materiële controle naar revalidatie-instellingen in het algemeen en een controle van [A] zelf naar declaraties van specifiek SRN. 3.9 Vanaf 15 maart 2019 zijn de machtigingsaanvragen voor MSR van SRN allemaal afgekeurd. De aanvragen worden beoordeeld door twee medisch adviseurs van VGZ en vanaf 15 maart 2019 (ook) door een nieuwe medisch adviseur, de heer drs. [B] (hierna: [B] ).Verzekerden van VGZ krijgen bij een afkeuring de voor hen geïndiceerde zorg niet vergoed en met de behandelingen kan daarom niet worden gestart. 3.10 Naar aanleiding van de afwijzingen van de machtigingsaanvragen heeft SRN mevrouw drs. [C] (hierna: [C] ), revalidatiearts Bravis ziekenhuis tevens indicerend revalidatiearts /medisch adviseur bij SRN, en de heer prof. dr. [D] (hierna: [D] ), revalidatiearts en emeritus hoogleraar revalidatiegeneeskundige, de naar VGZ gestuurde aanvragen laten beoordelen. [C] heeft bij e-mailbericht van 22 juni 2019 (productie 10 bij inleidende dagvaarding) aan de heer [E] , directeur van SRN, het volgende bericht: ‘In de bijlage tref je mijn beoordelingen van de dossiers tav wel of geen indicatie MSR. In alle gevallen is er sprake van complex samenhangende problematiek met evidente problemen op meerdere (ICF) domeinen. De genoemde problematiek wordt veroorzaakt door verworven aandoeningen van of zich uitend in het houdings- en bewegingsapparaat/bewegingsvermogen. De dossiers zijn zeer volledig en geven duidelijk aan waarom eenzijdige of monodisciplinaire behandeling niet doelmatig zal zijn.’ Bij e-mailbericht van 25 juni 2019 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) heeft [D] het volgende aan [E] bericht: ‘(…) Mijns inziens voldoen de aanvragen aan de eisen die gesteld worden aan MSR. De aanvragen bevatten anamnese en onderzoek, een revalidatiediagnose volgens de SAMPC systematiek, algemene behandeldoelen, behandelplan met deeldoelen per discipline en een medische motivatie voor MSR. In alle gevallen wordt aannemelijk gemaakt dat stepped care heeft plaatsgevonden. Ik zie niet in welke argumenten een beoordelaar kan aandragen om deze aanvragen af te wijzen.’ 3.11 De advocaat van SRN heeft VGZ namens SRN bij brief van 27 juni 2019 (productie 12 bij inleidende dagvaarding) aangeschreven en gesommeerd tot herbeoordeling van de reeds afgekeurde machtigingsaanvragen van tien patiënten van SRN over te gaan. Bij brieven van 3 juli 2019 en 12 juli 2019 (producties 14 en 15 bij inleidende dagvaarding) heeft (de advocaat van) SRN in dat verband aanvullende sommaties aan VGZ verstuurd, waarbij werd aangegeven dat zich inmiddels een elfde patiënt had gemeld. In reactie daarop heeft VGZ bij brief aan SRN van 16 juli 2019 (productie 16 bij inleidende dagvaarding) gereageerd. In deze brief staat voor zover thans van belang het volgende vermeld: ‘(…) VGZ doet geen integrale herbeoordeling van de indicatiestelling en gaat niet (stelselmatig) op de stoel van de revalidatiearts zitten. VGZ toetst aan de hand van zorginhoudelijke criteria of de verzekerde naar aard, maar ook naar omvang, is aangewezen op vergoeding van de beoogde (MSR-)zorg. De door SRN aangeleverde verklaringen van drs. [C] , prof. dr. [D] (…) doen aan het voorgaande niets af. Te meer nu de verklaringen alleen gericht zijn op de juistheid van de indicatiestelling en de afwijzingen van VGZ niet alleen verband houden met de indicatie, maar ook met het toetsen van de behandeling naar aard en omvang aan de hand van de stand van wetenschap en praktijk. (…)’ 3.12 Na verdere correspondentie tussen partijen (waaronder een brief van 9 september 2019 waarin de advocaat van SRN aan VGZ liet weten dat inmiddels nog 9 patiënten zich gemeld hadden met soortgelijke problematiek als beschreven in eerdere brieven, productie 19 bij inleidende dagvaarding) heeft op 23 september 2019 een overleg plaatsgevonden tussen de revalidatiearts van SRN en de medisch adviseur van VGZ over de tot dan toe afgewezen machtigingsaanvragen, in totaal op dat moment twintig. Bij e-mailbericht van 26 september 2019 (productie 19 bij inleidende dagvaarding) is namens VGZ aan SRN bericht dat in drie van de negen op 23 september 2019 besproken dossiers alsnog een machtiging zal worden verstrekt. 3.13 De overige elf dossiers zijn op 2 oktober 2019 door [B] opnieuw beoordeeld. Drie van de machtigingsaanvragen zijn op basis daarvan alsnog goedgekeurd en een vierde (die eerder al was goedgekeurd) zou nader worden onderzocht. De overige afwijzingen zijn gehandhaafd. 3.14 Nadien heeft SRN ook het tweede tiental dossiers door [C] en [D] laten beoordelen. Opnieuw kwamen zij tot de conclusie dat in alle gevallen sprake was van een correcte indicatiestelling voor MSR. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 SRN heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair I VGZ zal gebieden om toekomstige machtigingsaanvragen van (patiënten van) SNR goed te keuren, tenzij VGZ binnen tien kalenderdagen na ontvangst van een machtigingsaanvraag (eventueel na aanvullende vragen aan de revalidatiearts te hebben gesteld) in een individueel geval kan aantonen en onderbouwen dat de revalidatiearts bij de indicatiestelling evident in strijd heeft gehandeld met beroepsnormen of tenzij sprake is van een andere reden om de machtigingsaanvraag ondanks de indicatie van de revalidatiearts af te keuren; II VGZ zal gebieden om alle reeds door SRN aangevraagde machtigingen in de periode van 1 maart 2019 tot de datum van het vonnis, binnen vijf kalenderdagen na de datum waarop het vonnis wordt gewezen, opnieuw te beoordelen waarbij geldt dat VGZ de machtigingsaanvragen niet mag afwijzen anders dan met inachtneming van hetgeen onder I is opgenomen; III VGZ zal verbieden om na verloop van de 120-dagentermijn van een DOT een nieuwe machtiging te verlangen van (patiënten van) SRN als voorwaarde om de behandeling voort te zetten en VGZ zal gebieden om alle declaraties voor vervolg-DBC’s als beschreven in productie 25 bij inleidende dagvaarding aan SRN betaalbaar te stellen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis; IV VGZ zal verbieden om in het kader van het machtigingsbeleid meer of andere informatie op te vragen dan informatie over de verwijzing en informatie over de indicatie door de revalidatiearts, tenzij VGZ kan aantonen dat zij in een individueel geval kan aantonen dat zij gegronde reden heeft om te twijfelen aan het oordeel van de behandelend revalidatiearts, dat meer informatie daarom noodzakelijk is voor de beoordeling van de machtigingsaanvraag en dat het opvragen van aanvullende informatie voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; V VGZ zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.359,35 aan buitengerechtelijke incassokosten aan SRN, te betalen binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis wordt gewezen; dit alles (behalve vordering V) op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter gerade voorkomt, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Subsidiair: VI VGZ een zodanig gebod of verbod zal opleggen als de voorzieningenrechter gerade voorkomt op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Zowel primair als subsidiair: VII een en ander met veroordeling van VGZ in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 19 december 2019 de primaire vorderingen van SRN afgewezen, maar de subsidiaire vordering onder VI toegewezen in die zin dat VGZ wordt geboden om binnen vijf kalenderdagen na de datum van het vonnis de machtigingsaanvragen in de periode van 1 maart 2019 tot de datum van het vonnis binnen vijf dagen opnieuw te beoordelen, waarbij VGZ het oordeel van de behandelend arts als uitgangspunt dient te nemen en iedere afwijking daarop objectief en toetsbaar dient te motiveren aan de hand van landelijke richtlijnen of anderszins gedocumenteerde beroepsnormen. Vanwege kort gezegd de zeer summiere onderbouwing van de afwijzingen is onvoldoende gebleken dat de beoordeling thans op de juiste wijze plaatsvindt, zodat aanleiding bestaat VGZ te veroordelen de beoordeling op die wijze uit te voeren, aldus de voorzieningenrechter. De gevorderde dwangsom is daarbij afgewezen. De vordering onder III is afgewezen, omdat het VGZ is toegestaan een machtigingsaanvraag voor MSR te hanteren en niet valt in te zien waarom dat bij een vervolgbehandeling ten opzichte van een geheel nieuwe aanvraag voor een bepaalde vorm van zorg anders zou zijn, aldus kort samengevat de voorzieningenrechter. De vorderingen onder IV en V zijn eveneens afgewezen. VGZ is ten slotte veroordeeld in de proceskosten, met wettelijke rente en in de nakosten. 4.3 Naar aanleiding van dit vonnis heeft VGZ alsnog toestemming verleend voor een groot aantal machtigingsaanvragen (productie A bij appeldagvaarding), in ieder geval ten behoeve van de twintig patiënten die in eerste aanleg naast SRN als eisers/eiseressen optraden. 5. De motivering van de beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep 5.1 Onder aanvoering van achttien grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, is VGZ in het principaal hoger beroep tegen het oordeel van de voorzieningenrechter opgekomen en vraagt zij het hof het bestreden vonnis te vernietigen, met veroordeling van SRN in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente en in de nakosten. 5.2 In het incidenteel hoger beroep is SRN onder aanvoering van vijf grieven, tegen het oordeel van de voorzieningenrechter opgekomen. Tevens heeft SRN haar primaire vordering onder I aldus gewijzigd dat zij het hof verzoekt VGZ te gebieden om bij de beoordeling van toekomstige machtigingsaanvragen van (patiënten van) SRN: I. Primair A. i. het oordeel van de behandelend arts tot uitgangspunt te nemen en iedere afwijking daarop objectief en toetsbaar te motiveren aan de hand van landelijke richtlijnen of anderszins gedocumenteerde beroepsnormen, althans op een nader door het hof te bepalen wijze; ii. een machtigingsaanvraag niet af te wijzen dan nadat zij SRN in een mondeling (telefonisch of fysiek) gesprek heeft uitgenodigd een toelichting te geven op de volgens VGZ ontoereikende machtigingsaanvraag en SRN in de gelegenheid heeft gesteld de ontbrekende informatie te geven, waarbij zij duidelijk, dat wil zeggen objectief en toetsbaar, dient te motiveren waarom de eerder versterkte informatie niet voldoet en welke informatie nodig is om tot een beoordeling te komen. Verder heeft SRN haar vordering enigszins aangepast omdat het enkel nog gaat om de herbeoordeling van de aanvragen vanaf 19 december (bedoeld zal zijn:) 2019. De herbeoordeling van de aanvragen uit de periode vóór die termijn heeft, als gevolg van de toewijzing van de vordering van de patiënten, al plaatsgevonden, zodat B als volgt luidt: B. VGZ gebiedt om alle door SRN in de periode vanaf 19 december 2019 aangevraagde machtigingen, binnen 5 kalenderdagen na de datum waarop arrest wordt gewezen, opnieuw te beoordelen op de wijze onder A beschreven; C. VGZ verbiedt om na verloop van de 120-dagentermijn van een DOT een nieuwe machtiging te verlangen van (patiënten van) SRN als voorwaarde om de behandeling voort te zetten en/of deze behandeling in rekening te kunnen brengen en VGZ gebiedt om alle declaraties voor vervolg-DBC’s als beschreven in productie J bij de memorie van antwoord aan SRN betaalbaar te stellen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest; D. VGZ verbiedt om in het kader van het machtigingsbeleid meer of andere informatie op te vragen dan informatie over de verwijzing en informatie over de indicatie door de revalidatiearts, tenzij VGZ in een individueel geval objectief kan aantonen dat zij gegronde redenen heeft om te twijfelen aan het oordeel van de behandelend revalidatiearts, waardoor meer informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van de machtigingsaanvraag en dat het opvragen van aanvullende informatie voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; E. VGZ veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.359,35 aan buitengerechtelijke kosten aan SRN, te betalen binnen veertien dagen na de datum waarop (bedoeld zal zijn:) arrest wordt gewezen; alles (behalve vordering sub E) op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat het hof gerade voorkomt, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van deze ge- en/of verboden; II. Subsidiair VGZ een zodanig gebod of verbod oplegt als het hof gerade voorkomt op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat het hof in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod; III. Zowel primair als subsidiair VGZ veroordeelt tot betaling aan SRN van (werkelijke) kosten van beide instanties, te begroten op € 85.223,00, althans een bedrag dat het hof gerade voorkomt, een en ander met veroordeling van VGZ in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 5.3 Het spoedeisend belang, dat niet is betwist door VGZ, vloeit ook in hoger beroep uit de stellingen van SRN voort (zie onder meer de randnummers 3.16-3.17 van de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel). Voorts geldt dat in dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vorderingen van VGZ in het principaal hoger beroep en die van SRN in het incidenteel hoger beroep in een bodemprocedure zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorzieningen gerechtvaardigd is. 5.4 De reikwijdte van het hoger beroep van VGZ - anders dan in eerste aanleg is alleen SRN partij- dient naar het oordeel van het hof aldus te worden begrepen dat de beslissing van de voorzieningenrechter in rov. 5.1 (‘veroordeelt VGZ om alle reeds door SRN aangevraagde machtigingen (…)’) breder is dan hetgeen in rov. 4.9 is overwogen (‘wel toewijsbaar is de meer subsidiaire vordering, die neerkomt op een gebod voor VGZ om de machtigingsaanvragen van de patiënten (…) opnieuw te beoordelen’) en daarnaast niet alleen ziet op de 20 patiënten die in eerste aanleg mede als eisers optraden (de patiënten) maar ook op de vordering van SRN zelf. Zoals VGZ ook ter zitting heeft toegelicht, liggen er momenteel meer machtigingsaanvragen dan ten behoeve van voornoemde 20 patiënten inmiddels zijn verleend. 5.5 In de kern genomen gaat dit kort geding om de vraag naar de aard en ratio van de beoordeling van de machtigingsaanvragen van SRN door VGZ, of anders geformuleerd naar de wijze waarop VGZ het machtigingsvereiste in de praktijk toepast. SRN stelt zich op het standpunt dat VGZ onrechtmatig jegens haar handelt door de wijze waarop zij haar machtigingsbeleid per 15 maart 2019 invult en uitvoert. Volgens SRN geeft VGZ bij de beoordelingen blijk van een bijzonder kritische basishouding ten opzichte van elke indicatie die door een revalidatiearts is gesteld. De medisch adviseur van VGZ gaat daarmee op de stoel van de revalidatiearts zitten en plaatst zijn oordeel eenvoudigweg in de plaats van het oordeel van de behandelend arts. Een argumentatie ontbreekt daarbij stelselmatig. Door aldus te handelen houdt VGZ volgens SRN geen rekening met de gerechtvaardigde belangen van verzekerden en zorgaanbieders als SRN. VGZ dient het oordeel van de behandelend arts tot uitgangspunt te nemen en moet iedere afwijking daarop objectief en toetsbaar motiveren aan de hand van landelijke richtlijnen of anderszins gedocumenteerde beroepsnormen, althans op een door het hof te bepalen wijze. Verder mag VGZ een machtigingsaanvraag alleen afwijzen dan nadat zij, kort gezegd, SNR in de gelegenheid heeft gesteld een toelichting te geven op de volgens VGZ ontoereikende machtigingsaanvraag en SRN in de gelegenheid heeft gesteld de ontbrekende informatie te geven, waarbij zij duidelijk, dat wil zeggen objectief en toetsbaar, dient te motiveren waarom de eerder verstrekte informatie niet voldoet en welke informatie nodig is om tot een beoordeling te komen, aldus SRN. VGZ betwist dat zij op de stoel van de behandeld arts gaat zitten. Zij toetst slechts of navolgbaar is dat de verzekerde aanspraak heeft (en dus ‘redelijkerwijs is aangewezen’) op MSR. In dat kader neemt zij de indicatiestelling als uitgangspunt, maar zij mag (en moet) die controleren aan de hand van vragen die volgen uit de ‘zorgregulatoire drietrapsraket’. Dit houdt in dat voordat een verzekerde aanspraak heeft op een bepaalde vorm van zorg, moet worden vastgesteld of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.