Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002899-17 Uitspraak d.d.: 19 juni 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 mei 2017 met parketnummer 08-993005-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Namens verdachte is het hoger beroep op 5 juni 2020 ingetrokken. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.R.P. Ossentjuk, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 17 mei 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, onder aanvulling van de strafmaatoverwegingen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank heeft verdachte voor het bewezen verklaarde feit veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen verklaarde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft bepleit dat het hof aan verdachte een straf zal opleggen overeenkomstig de straf die de rechtbank aan verdachte heeft opgelegd. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft [betrokkene] , zijnde een ambtenaar werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) omgekocht door hem voor de helft te laten meedelen in de verkoopopbrengst van materialen die via bedrijven van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uiteindelijk op rekening van de RUG waren gekocht. Daarbij is de RUG mede door zijn handelen financieel benadeeld De verdachte heeft puur uit eigen belang gehandeld. Door zo te handelen heeft verdachte zichzelf financieel bevoordeeld. Dit gedurende langere tijd waarin ook ruimte voor bezinning bestond. Evenals de rechtbank zal het hof ten gunste van verdachte ermee rekening houden dat het voor de helft laten meedelen in de opbrengst door [betrokkene] op initiatief en onder druk van deze laatste plaatsvond maar ten nadele van verdachte weet het hof mee dat verdachte wel van het geheel van het voordeel profiteerde. Een belangrijke factor bij de strafmaat is de omvang van het nadeel dat verdachte door zijn handelen heeft veroorzaakt. Uit het dossier en de bewezenverklaring komt naar voren dat verdachte een aandeel heeft gehad in ambtelijke corruptie waarbij in veel gevallen ten onrechte kosten zijn gedeclareerd bij de RUG en door die instantie ook zijn uitbetaald. Aldus is gemeenschapsgeld voor andere doelen aangewend dan waarvoor deze gelden door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld. Anders dan de rechtbank gaat het hof bij het vaststellen van het benadelingsbedrag uit van het nadeel dat de FIOD heeft berekend (AMB-045), te weten € 68.224,-. Dit bedrag is in zijn geheel aan [betrokkene] en aan verdachte toe te rekenen. Voor het bepalen van de strafmaat heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof zoekt, gelet op het bewezen verklaarde handelen van verdachte, aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting bij fraudezaken, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die in geval van een benadelingsbedrag tussen € 10.000,- en € 70.000,- uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden tot maximaal 5 maanden of een taakstraf. Al naar gelang van specifieke factoren kan de op te leggen straf vermeerderd of verminderd worden. Als strafverzwarende factor houdt het hof rekening met het feit dat verdachte jarenlang schaamteloos en op brutale wijze heeft geprofiteerd van gemeenschapsgelden. Uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 30 april 2020 blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Het hof acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, de door de rechtbank opgelegde taakstraf voor de duur van 240 uren bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof daarnaast geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van enkele maanden opleggen. Vordering van de benadeelde partij Rijksuniversiteit Groningen De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.350.967,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.