Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000966-19 Uitspraak d.d.: 10 juli 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2019 met parketnummer 96-221495-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats] , [woonadres] Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot oplegging van een geldboete van € 950,- te vervangen door 19 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.L.P. Fauser, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte vrijgesproken. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof doet opnieuw recht. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 september 2018 te [plaats] , gemeente [naam gemeente] een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 110 microgram amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 september 2018 te [plaats] , gemeente [naam gemeente] , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 110 microgram amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die stof vermelde grenswaarde. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet
- Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een motorvoertuig onder invloed van amfetamine. Het is algemeen bekend dat het deelnemen aan het verkeer na het gebruik van een drug als amfetamine de rijvaardigheid in ernstige mate kan beïnvloeden. Verdachte heeft de gevaarzetting die daardoor ontstaat op de koop toegenomen door toch te gaan rijden. Het hof neemt hem dit kwalijk. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in de vijf jaren voor het plegen van dit feit reeds onherroepelijk is veroordeeld voor rijden onder invloed. De raadsvrouw heeft er op gewezen dat verdachtes rijbewijs op grond van 123b van de Wegenverkeerswet 1994 van rechtswege ongeldig wordt na het onherroepelijk worden van de onderhavige uitspraak. Zij heeft er met name om die reden voor gepleit een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid achterwege te laten. Verdachte is voor zijn huidige baan sterk van zijn rijbewijs afhankelijk. Gedurende een eventuele rijontzegging zal hij niet in staat zijn opnieuw zijn rijbewijs te halen, hetgeen mogelijk consequenties heeft voor zijn dienstbetrekking. Gelet op de ernst van het feit en aangezien sprake is van recidive, is een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in principe passend. Het hof ziet echter in de persoonlijke situatie van verdachte en in de omstandigheid dat zijn rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid zal verliezen aanleiding om voor wat de rijontzegging betreft te volstaan met het voorwaardelijk opleggen daarvan. Ter benadrukking van de ernst van het feit staat daar tegenover dat het hof een hogere geldboete zal opleggen dan is geëist, namelijk een geldboete van € 1250,- te vervangen door 22 dagen hechtenis. Op verzoek van verdachte wordt daarbij bepaald dat deze in vijf maandelijkse termijnen kan worden betaald. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet
- Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis. Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro). Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden. Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aldus gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. L.G. Wijma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier, en op 10 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Fuhler en mr. Wijma zijn verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.