GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.274.503/01 en 200.277.330/01 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 493385 en 497373) beschikking van 7 juli 2020 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. I.Mercanoǧlu te Almelo, en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, kantoorhoudend te Almere, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI, en [verweerder] , wonende te [A] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. L. van Eck Rasmussen te Hilversum. Als informanten zijn aangemerkt: [de pleegouders] , verder te noemen: de pleegouders. 1De procedure in eerste aanleg In de zaak met nummer 200.274.503/01 1.1 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 9 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 493385.In de zaak met nummer 200.277.330/01 1.2 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 30 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 497373. 2De procedure in hoger beroepIn de zaak met nummer 200.274.503/01 2.3 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 20 februari 2020; - het verweerschrift van de GI met productie(s); - het verweerschrift van de vader met productie(s); - een journaalbericht van mr. Mercanoǧlu van 5 maart 2020 met productie(s); - een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 9 maart 2020; - een journaalbericht van mr. Van Eck Rasmussen van 28 mei 2020 met productie(s). In de zaak met nummer 200.277.330/01 2.4 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 22 april 2020; - het verweerschrift van de vader; - een brief van de raad van 18 mei 2020. In beide zaken 2.5 De mondelinge behandeling van de zaak met nummer 200.274.503/01 stond oorspronkelijk gepland op 23 maart 2020. Vanwege het beleid van de raad voor de rechtspraak om verspreiding van het corona-virus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, is die zitting geannuleerd. De mondelinge behandeling heeft vervolgens alsnog plaatsgevonden op 15 juni 2020, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.277.330/01. Partijen hebben ermee ingestemd dat alle onder 2.1 en 2.2 genoemde stukken worden beschouwd als ingediend in beide zaken en aldus door het hof gebruikt mogen worden. Fysiek ter zitting zijn aanwezig geweest: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - namens de GI: mevrouw [B] ; - de pleegmoeder. De vader en zijn advocaat zijn aanwezig geweest via Skype voor Bedrijven. Ook één van de raadsheren, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, is via Skype voor Bedrijven aanwezig geweest. 3De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn sinds 2013 gezamenlijk belast met het gezag over: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2008 (hierna: [de minderjarige1] ); en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2012 (hierna: [de minderjarige2] ). De vader is niet de biologische vader van [de minderjarige1] . In 2017 hebben de vader en de moeder hun affectieve relatie verbroken. 3.2 Bij beschikking van 15 januari 2019 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden tot 15 april 2019. Bij beschikking van 11 april 2019 zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld tot 11 april 2020. De termijn van de ondertoezichtstelling is bij de bestreden beschikking van 30 maart 2020 verlengd tot 11 juli 2020. 3.3 Bij beschikking van 11 juli 2019 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de termijn van drie maanden, tot 11 oktober 2019. Deze beschikking is bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 1 oktober 2019. Bij beschikking van 3 oktober 2019 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 11 januari 2020. 3.4 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking van 9 januari 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg op verzoek van de GI verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 11 april 2020. 3.5 De GI heeft de kinderrechter op 17 februari 2020 verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 11 oktober 2020. 3.6 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking van 30 maart 2020 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 juli 2020 en het meer of anders verzochte aangehouden. 4De omvang van het geschilIn de zaak met nummer 200.274.503/01 4.1 De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 januari 2020. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de beschikking van de kinderrechter van 9 januari 2020 te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen. 4.2 De GI heeft verweer gevoerd en het hof verzocht het verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair ongegrond te verklaren, met zoveel nodig bekrachtiging van de bestreden beschikking van 9 januari 2020. 4.3 De vader heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoeken af te wijzen.In de zaak met nummer 200.277.330/01 4.4 De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 30 maart 2020. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking van 30 maart 2020 te vernietigen en het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen. 4.5 De GI heeft ter zitting verweer gevoerd.4.6 De vader heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoeken af te wijzen. 5De motivering van de beslissingIn de zaak met nummer 200.274.503/01 5.1 De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 11 april 2020 verstreken. Gelet op het door artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode tot 11 april 2020 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.In beide zakenIngevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.In de zaak met nummer 200.277.330/01De moeder komt in de zaak met nummer 200.277.330/01 in de eerste plaats op tegen het feit dat de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 30 maart 2020 op het verlengingsverzoek van de GI heeft beslist zonder daarbij een mondelinge behandeling te bepalen en zonder daarbij partijen en de GI te horen.5.2 De kinderrechter heeft in de beschikking van 30 maart 2020 het volgende overwogen. " Normaal gesproken neemt de kinderrechter pas een beslissing als een zaak mondeling is behandeld, maar vanwege het coronavirus is een mondelinge behandeling vooralsnog helaas niet mogelijk. Omdat de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bijna aflopen, is het wel belangrijk dat de kinderrechter snel beoordeelt of deze verlengd moeten worden of niet. De kinderrechter heeft het verzoek om verlenging daarom alleen op basis van de stukken getoetst. De uitkomst van die toets is dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tijdelijk moeten worden verlengd, namelijk voor de periode van drie maanden. De reden daarvoor is dat de kinderrechter in het dossier nog steeds wettelijke gronden ziet om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen (artikel 1:255, eerste lid en artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek). Of deze maatregelen daarna nog nodig zijn, zal de kinderrechter later beoordelen. Daarvoor wordt zo snel als dat weer mogelijk is een mondelinge behandeling ingepland." 5.3 In de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken i.v.m. corona, versie 19 maart 2020, die in ieder geval gold tot 6 april 2020, is bepaald dat zaken die door de rechtbank zijn beoordeeld als urgent niet op de rechtbank, maar telefonisch worden behandeld. Die handelwijze is in deze zaak niet gevolgd, terwijl de kinderrechter de zaak kennelijk wel als urgent heeft aangemerkt. De handelwijze van de kinderrechter lijkt wel in overeenstemming te zijn met de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken i.v.m. corona, versie 3 april 2020, waarin staat dat zaken die gaan over een verlenging uithuisplaatsing zeer urgent zijn, dat er in beginsel geen mondelinge behandeling plaatsvindt en de zaken door middel van een overbruggingsbeschikking in beginsel voor drie maanden worden verlengd, zonder (proces)partijen te horen. Die versie gold echter niet ten tijde van de bestreden beschikking. Overigens stond ook in die versie dat de rechter een mondelinge behandeling via een telefonische (beeld)verbinding kon laten plaatsvinden, indien de rechtbank daartoe aanleiding toe ziet. Ten slotte bepaalt de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, die in werking is getreden op 24 april 2020 en terugwerkende kracht heeft tot en met 16 maart 2020 in artikel 3 dat beschikkingen in zaken van verlenging van de machtiging uithuisplaatsing aanstonds kunnen worden gegeven indien mondelinge behandeling ook met toepassing van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel onmogelijk blijkt. Een verlenging is in dat geval mogelijk voor de duur van maximaal drie maanden. 5.4 In dit geval heeft de kinderrechter het verzoek wel getoetst, maar de moeder, die nog niet eens op de hoogte was van het verlengingsverzoek, (en overige belanghebbenden) niet met toepassing van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel gehoord. Het hof realiseert zich terdege dat het in de beginperiode van de uitbraak van het coronavirus omstreeks half maart 2020, toen een mondelinge behandeling onmogelijk was, uitermate complex was om in urgente zaken alternatieve mogelijkheden tot horen aan te bieden. Nu de beschikking dateert van 30 maart 2020 en de machtiging uithuisplaatsing nog liep tot 11 april 2020 valt echter niet zonder meer in te zien waarom horen via een telefonische of beeldbelverbinding in de tussenliggende periode onmogelijk was, terwijl ook een schriftelijke reactie op het verzoek door de moeder nog overwogen had kunnen worden. Uit de motivering van de kinderrechter blijkt daarover niets. Het hof constateert dan ook met de moeder dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, nu de moeder niet in de gelegenheid is geweest om op het verzoek van de GI te reageren. Het hof is echter van oordeel dat hieraan geen gevolgen hoeven te worden verbonden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de kinderrechter in de crisissituatie van dat moment de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een (veel) kortere periode heeft verleend dan verzocht en voornemens was zo snel als dat weer mogelijk is alsnog een mondelinge behandeling te bepalen. In dit hoger beroep is de moeder (en zijn ook de overige belanghebbenden) bovendien alsnog voldoende in de gelegenheid gesteld om hun standpunten toe te lichten. Onder die omstandigheden voert een vernietiging van de bestreden beschikking enkel wegens deze schending van het beginsel van hoor en wederhoor naar het oordeel van het hof te ver. In beide zaken 5.5 Het hof stelt voorop dat de (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.