Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006979-18 Uitspraak d.d.: 15 juli 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2018 met parketnummer 18-158782-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman,mr. T. Bruinsma, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij voornoemd vonnis ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 10 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldkistje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen met voormeld oogmerk dat geldkistje heeft beetgepakt en/of opgetild, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich het geldkistje toe te eigenen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Hofstra, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier, en op 15 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.