← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:5616

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.215.820/01 CJIB-nummer : 201056803 Uitspraak d.d. : 17 juli 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 april 2017, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 21 januari 2018 en 16 juli 2018 zijn respectievelijk nog een faxbericht en een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De beoordeling

  1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand blijven.
  2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.
  3. De klacht van de gemachtigde faalt. Het dossier bevat een proces-verbaal, inhoudende de beslissing van de kantonrechter d.d. 18 april 2017 waarin is opgenomen hetgeen ter zitting is voorgevallen, inclusief een zakelijke weergave van hetgeen door de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie naar voren is gebracht.
  4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 augustus 2018 om 19:07 uur op de Churchilllaan (N206) in Leiden met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
  5. Namens de betrokkene wordt de gedraging betwist. Uit de foto’s komt duidelijk naar voren dat de betrokkene weliswaar de stopstreep voorbij is gereden, maar niet blijkt dat hij ook daadwerkelijk het rode verkeerslicht is gepasseerd. De betrokkene stond net op tijd stil. De remlichten van het voertuig van de betrokkene zijn duidelijk zichtbaar op de foto’s, aldus de gemachtigde.
  6. De gegevens waar de oplegging van de sanctie is gebaseerd zijn opgenomen in het zaakoverzicht, dat zich in het dossier bevindt. Hierin staat dat de gedraging geautomatiseerd is vastgesteld met roodlichtapparatuur. Verder bevat het dossier foto’s van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep nagenoeg geheel is gepasseerd. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig verder is gereden en het verkeerslicht is gepasseerd. Op beide foto’s is te zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalt. Uit de databalk bij de foto’s blijkt dat het licht op de eerste foto 1,2 seconden en op de tweede foto 1,8 seconden rood licht had uitgestraald.
  7. De beweringen van de gemachtigde worden weerlegd door de foto's en de daarbij vermelde gegevens. De gemachtigde heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat aan de gegevens in het dossier moet worden getwijfeld. Daarom kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
  8. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat er in deze zaak aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in afwijking van de gebruikelijke wegingsfactor die wordt gehanteerd op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Volgens de gemachtigde is het immers voor ieder weldenkend mens duidelijk dat het administratief beroep in deze zaak tijdig was ingesteld, zodat de officier van justitie het verwijt treft dat hij een besluit neemt, terwijl op dat moment duidelijk is dat dit besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. De gemachtigde wijst daarbij op de uitspraken van de Hoge Raad van 13 april 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH
  9. Dit is naar de mening van de gemachtigde ook als misbruik van bevoegdheid te kwalificeren en dat alles heeft de kantonrechter ten onrechte miskend.
  10. Alvorens te beoordelen of er in dit geval aanleiding bestaat om af te wijken van de gebruikelijke wegingsfactor die wordt gehanteerd bij het vaststellen van een proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, dient eerst vastgesteld te worden of hetgeen de gemachtigde naar voren heeft gebracht aanleiding geeft om tot een proceskostenvergoeding over te gaan. Aan de enkele omstandigheid dat de officier van justitie bij het beslissen op het administratief beroep had moeten onderkennen dat de Algemene termijnenwet van toepassing was, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de officier van justitie een verwijt kan worden gemaakt zoals door de Hoge Raad in voormelde jurisprudentie bedoeld en dat betekent dat er ook geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de officier van justitie. Nu in dit verband niet meer is gesteld en gebleken, ziet het hof in hetgeen de gemachtigde naar voren heeft gebracht geen aanleiding om, in afwijking wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, een proceskostenvergoeding toe te kennen. Het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding behoeft daarmee geen bespreking meer.
  11. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.