Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006383-19 Uitspraak d.d.: 21 juli 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 november 2019 met parketnummer 05-140622-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-002538-15, in de strafzaak tegen [Voornamen & achternaam verdachte] , geboren [geboortedatum & -plaats] , wonende [woonplaats] , thans verblijvende in de [detentielocatie] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B. van Elst, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsoverweging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: primairhij op of omstreeks 9 juni 2019, te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte: - die [naam slachtoffer] eenmaal op zijn oog, dan wel in zijn gezicht gestompt, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn hand gesneden, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn borst en/of zijn schouder, althans in zijn lichaam, gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairhij op of omstreeks 9 juni 2019, te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, aan [naam slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekwonden en/of een of meerdere snijwonden en/of een of meerdere bloeduitstortingen en/of een storing van de verstandelijke vermogens, heeft toegebracht door en/of veroorzaakt door: - die [naam slachtoffer] eenmaal op zijn oog, dan wel in zijn gezicht te stompen, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn hand te snijden, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn borst en/of zijn schouder, althans in zijn lichaam, te steken; meer subsidiair hij op of omstreeks 9 juni 2019, te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte: - die [naam slachtoffer] eenmaal op zijn oog, dan wel in zijn gezicht gestompt, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn hand gesneden, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn borst en/of zijn schouder, althans in zijn lichaam, te gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meest subsidiair hij op of omstreeks 9 juni 2019, te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door: - die [naam slachtoffer] eenmaal op zijn oog, dan wel in zijn gezicht te stompen, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn hand te snijden, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn borst en/of zijn schouder, althans in zijn lichaam, te steken. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Ter terechtzitting is door en namens verdachte bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair te laste gelegde feit. Daartoe is, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachtes lezing van het voorval gevolgd moet worden, dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] en dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Er is hiertoe onder meer aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over de aard van de verwonding (snij- of steekverwonding) en de gerichtheid van de mesbewegingen door verdachte (schouder of borst). Daarenboven zou er geen wettig en overtuigend bewijs zijn voor zwaar lichamelijk letsel. Het noodweer(exces)scenario is aannemelijk, vindt geen weerlegging in het dossier en wordt juist ondersteund door de snijwond (tussen duim en wijsvinger) bij verdachte. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder als volgt. Het hof stelt vast dat verdachte op de bewuste dag een taxirit maakte in de taxi van aangever. Daar is op enig moment een discussie en vervolgens een worsteling ontstaan, omdat verdachte niet op voorhand kon betalen voor de door hem gewenste taxirit. Dit is geëindigd in een steekincident, waarbij verdachte de taxichauffeur heeft gestoken en waardoor de taxichauffeur in ieder geval een drietal steekwonden in zijn rechterarm, een steekwond op de voorzijde van de rechterborst/-schouder, een tweetal snijwonden (aan de pinkzijde van de handpalm van de linkerhand en aan de buigzijde van de linkerpink) en vier bloeduitstortingen (waarvan één op de strekzijde van de rechterbovenarm, één op de voorzijde van de rechterschouder, één op het bovenste gedeelte van de rechterborst en één halverwege de linkerflank/rugzijde) heeft opgelopen. Voor wat betreft het door de raadsman gevoerde verweer, dat niet vast te stellen is of is gestoken of gesneden, merkt het hof op dat verdachte, daartoe bevraagd, steeds (zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg én in hoger beroep) heeft opgemerkt dat hij het slachtoffer heeft gestoken. Dit komt overeen met de verklaring van het slachtoffer en de letselrapportage van 13 juni 2019 door [naam forensisch arts] , forensisch arts, op dit punt. Het hof zal daar dan ook vanuit gaan. Het hof ziet zich, voor wat betreft de directe aanloop naar het steekincident, geconfronteerd met twee haaks op elkaar staande verklaringen van aangever en verdachte. Aangever verklaart dat verdachte hem op zijn oog heeft gestompt en vervolgens een mes pakte en verdachte verklaart dat aangever een mes pakte. Voor het vervolg heeft het hof de vraag te beantwoorden welke van beide lezingen het aannemelijker acht. Bij de beantwoording van die vraag neemt het hof in aanmerking de verklaring van de verdachte op de expliciete bevraging van het hof naar zijn beweegreden om het mes weg te gooien en naar de reden waarom hij pas enkele dagen na het voorval, terwijl hij reeds in het Huis van Bewaring zat, openheid van zaken zou hebben gegeven aan zijn partner. Verdachte heeft daarop – kort samengevat – slechts verklaard dat hij uit zelfverdediging heeft gestoken met het mes, dat hij in paniek was door het steekincident en dat hij het mes daarom heeft weggegooid in een sloot vlakbij de plaats van het voorval en dat hij, mede vanwege zijn justitiële verleden, bang was voor de gevolgen van het voorval, meer specifiek angst voor de bejegening door de politie en de reactie van zijn naasten. Het hof overweegt dat het weggooien van het mes – een belangrijk en bepalend element in beide lezingen – door verdachte kort na het voorval in het eerste water of slootje dat hij tegenkwam in Beekbergen, niet te rijmen is met de lezing van verdachte, waarin hij zichzelf immers in een slachtofferrol plaatst en zelf de aangevallen partij is die zijn aanvaller heeft overmeesterd. Dat mes zou voor verdachte immers ontlastend bewijsmateriaal op hebben kunnen leveren. Het hof acht het ook onaannemelijk dat verdachte – die volgens zijn eigen verklaring dagelijks thuis is en in zijn huidige partner zegt de juiste persoon te hebben gevonden om hem op het rechte pad te houden – zijn partner niet meteen op de hoogte zou brengen van een ingrijpend incident waarvan hij het slachtoffer zou zijn geworden, maar daarmee een aantal dagen heeft gewacht tot het moment dat hij voor dit feit in bewaring is genomen. De op de avond van het incident expliciet door zijn partner gestelde vraag hoe hij aan zijn kapotte hand kwam, heeft verdachte onbeantwoord gelaten. Verdachte heeft er voorts nog op gewezen dat hij een zichtbare verwonding op zijn hand heeft opgelopen. Deze verwonding zou zijn ontstaan doordat verdachte probeerde het mes af te pakken van de taxichauffeur. Het hof acht het, mede gelet op het feit dat deze kleine (snij)verwonding zich bevindt aan de buitenkant van de hand op/tussen de wijsvinger en de duim van verdachte, zoals blijkt uit de foto op pagina 42 in het proces-verbaal van de politie, onaannemelijk dat deze verwonding het gevolg is van een afpakbeweging van verdachte. Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudend dat aangever als eerste een mes pakte en hij zichzelf heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever, onaannemelijk is geworden. Het hof zal dan ook uitgaan van de lezing van het slachtoffer dat verdachte op enig moment een mes heeft gepakt. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer met betrekking tot het voorval. Voorts is door en namens verdachte aangevoerd dat er geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dodelijk letsel. Daartoe is, kort samengevat, opgemerkt dat er noch uit de verklaringen van aangever en/of verdachte, noch uit de plaats waar is gestoken, noch uit de letselrapportage (waaruit niet blijkt hoe diep de verwondingen in schouderregio en borstkas waren, zodat onduidelijk is of een slagaderlijke bloeding had kunnen ontstaan) blijkt dat er sprake is van (het aanvaarden van) de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het hof overweegt dat het voorval zich afspeelde in de beperkte ruimte van een auto. Er is een worsteling ontstaan en verdachte heeft een mes gepakt. Het hof overweegt dat verdachte – daarnaar expliciet bevraagd – herhaaldelijk slechts heeft verklaard dat hij aangever heeft gestoken en dat dit ter verdediging was. Verdachte heeft niet verklaard dat hij gericht (op enig lichaamsdeel) heeft gestoken. Het hof stelt verder vast, zoals hiervoor overwogen, dat het slachtoffer is geraakt in zijn rechterarm en op de voorzijde van de rechterborst/-schouder. Gelet op het voorgaande en de lezing van het slachtoffer is het hof van oordeel dat verdachte meermalen ongericht heeft ingestoken op het bovenlichaam van het slachtoffer. Het hof overweegt dat het aldus lukraak steken in de richting van het bovenlichaam, een aanmerkelijke kans oplevert dat daarbij plaatsen in het bovenlichaam worden geraakt waar vitale organen of slagaderen zitten. Het raken van dergelijke plaatsen levert een aanmerkelijke kans op de dood op. Dat de plek waar verdachte het slachtoffer heeft gestoken in die zin ‘gunstig’ is uitgevallen en dat de gevolgen van het onderhavige steekincident daardoor minder ernstig zijn uitgevallen, doet daar niets aan af. Verdachte heeft door te handelen als hiervoor omschreven die aanmerkelijke kans op aangevers dood aanvaard. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: primairhij op of omstreeks 9 juni 2019, te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte: - die [naam slachtoffer] eenmaal op zijn oog, dan wel in zijn gezicht gestompt, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn hand gesneden, en/of - die [naam slachtoffer] eenmaal, dan wel meermaals in zijn borst en/of zijn schouder, althans in zijn lichaam, gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag. Strafbaarheid van de verdachte Door en namens verdachte is het verweer gevoerd dat er sprake is geweest van een situatie waarin verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Het hof gaat om de hiervoor onder het kopje ’’Overwegingen met betrekking tot het bewijs’’ genoemde redenen uit van de verklaring van het slachtoffer, inhoudende dat het de verdachte is geweest die een mes heeft getrokken en de duidelijke agressor was. Uitgaande van die verklaring was van enige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich diende te verdedigingen of een dreigend gevaar daartoe geen sprake. Het hof acht dan ook de feiten en omstandigheden zoals die door de verdachte aan diens beroep op noodweer(exces) ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer dan wel noodweerexces kan reeds om die reden niet slagen. Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Door en namens verdachte is verzocht om – in geval van een bewezenverklaring en veroordeling – in strafverminderende zin mee te wegen dat detentie door de beperkingen die van kracht zijn vanwege het Corona-virus, onevenredig zwaar is geworden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een taxichauffeur. Verdachte liet na te betalen voor de rit die hij wilde maken en moest daarop uitstappen van deze taxichauffeur. Verdachte heeft dit kennelijk niet kunnen verkroppen en heeft, na een woordenwisseling en een worsteling met de taxichauffeur, een mes gepakt en meerdere malen op het bovenlichaam van de taxichauffeur ingestoken. Daarmee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de taxichauffeur dodelijk zou treffen. Dat de gevolgen voor het slachtoffer in relatieve zin meevallen, is vooral een kwestie van geluk geweest. Met zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven zeer impulsief te handelen en zichzelf niet in de hand te hebben. Op steekincidenten als het onderhavige past slechts een forse reactie, nu zij ernstige gevoelens van angst en onveiligheid zowel bij het slachtoffer als in de samenleving teweegbrengen. Het hof stelt vast dat er geen oriëntatiepunten voor straftoemeting zijn ter zake een poging tot doodslag. Naar het oordeel van het hof heeft als uitgangspunt te gelden dat voor een (enkelvoudige) poging tot doodslag als in het onderhavige geval, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren op zijn plaats is. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte ook thans in hoger beroep volhardt in het minimaliseren van zijn rol en zichzelf in een slachtofferrol plaatst. Verdachte heeft ter terechtzitting slechts berouw getoond over de afloop van het voorval. Daarnaast weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat verdachte zichzelf mede in deze situatie heeft gebracht door zijn aanzienlijke alcoholgebruik die avond. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.