GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.198.226/01 CJIB-nummer : 189203124 Uitspraak d.d. : 22 januari 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 augustus 2016, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Middels brieven van 31 maart 2017 en 6 oktober 2017 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van het hoger beroep aangevuld. Een afschrift hiervan is aan de advocaat-generaal toegezonden. Voorts is op 16 juli 2018 nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Beoordeling
- Het hoger beroep richt zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op invalidenparkeerplaats anders dan met motorvoertuigen op meer dan twee wielen met geldige invalidenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 april 2015 om 16:21 uur op het Jaarbeursplein in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
- De gemachtigde voert aan dat het voertuig slechts zeer korte tijd heeft stilgestaan om mensen in- en uit te laten stappen. De bestuurder, niet zijnde de kentekenhouder, zat al die tijd in de auto zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd. Dat zich daartoe de mogelijkheid voordeed, blijkt wel uit het feit dat de ambtenaar de bestuurder volgens de verklaring in het zaakoverzicht ter plaatse verbaal heeft aangezegd. Niet valt in te zien om welke reden de beschikking onder die omstandigheden aan de kentekenhouder is opgelegd.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
- De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht luidt enerzijds dat door hem geen laad- of losactiviteiten zijn waargenomen en anderzijds: “waargenomen bestuurder ter plaatse verbaal aangezegd”.
- Nu uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder van het voertuig heeft gezien en deze persoon een sanctie heeft aangezegd, valt niet onmiddellijk in te zien dat hij de bestuurder onder de geschetste omstandigheden niet staande heeft kunnen houden om de persoonsgegevens vast te kunnen stellen zodat de bestuurder een sanctie kon worden opgelegd (vergelijk het arrest van het hof van 20 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3752).
- Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking geen stand kan houden. Alle overige bezwaren van de gemachtigde kunnen onbesproken blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,
- Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,
- Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.