GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.253.670/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL 17.9524) arrest van 21 juli 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. D. Pranjiċ, kantoorhoudend te Utrecht, tegen 1 [geïntimeerde 1] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna: [geïntimeerde 1] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde (niet verschenen), niet verschenen; 2. [geïntimeerde2] , wonende te [A] , hierna: [geïntimeerde2] , 3. [geïntimeerde 3] , wonende te [A] , hierna: [geïntimeerde 3], geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie, hierna geïntimeerden 2 en 3 gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden 2 en 3] c.s. advocaat: mr. W. de Vis, kantoorhoudend te Alkmaar. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 november 2017 en 2 augustus 2018 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 1 november 2018, gericht tegen het eindvonnis; - de memorie van grieven van 5 maart 2019; - de memorie van antwoord tevens akte houdende vermeerdering van eis in reconventie van 14 mei 2019; - het comparitiearrest van 23 juli 2019. Deze comparitie heeft via Skype in digitale vorm plaatsgevonden op 29 mei 2020. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden. Mr. de Vis heeft bij brief op het proces-verbaal gereageerd waarna mr. Pranjiċ op die brief heeft gereageerd. 2.2 Partijen hebben arrest gevraagd op het ten behoeve van de comparitie overgelegde dossier aangevuld met genoemd proces-verbaal. Het hof heeft het arrest bepaald op vandaag. 3Waar gaat het in dit hoger beroep over In dit hoger beroep staat de vraag centraal of een niet-professionele financier die als zekerheid bedingt dat familieleden van de schuldenaar zich borg stellen, een zorgplicht heeft voor die borgen en de borgen moet waarschuwen voor de risico’s die zij lopen als de schuldenaar niet kan betalen. Het hof is van oordeel dat deze zorgplicht alleen geldt voor professionele financieringsinstellingen en niet voor particulieren die geld uitlenen. 4De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten: 4.1 [geïntimeerde 1] is de zoon van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] was gehuwd met [B] (hierna: [B] ). Zij dreven samen de onderneming [C] , die als eenmanszaak op naam van [B] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. 4.2 Op 11 december 2015 is ten behoeve van de uitbreiding van de activiteiten van [C] een overeenkomst van geldlening gesloten met [appellant] (hierna: de geldleningsovereenkomst). In de geldleningsovereenkomst wordt [B] aangeduid als schuldenaar en [geïntimeerde 1] [geïntimeerde2] als borg. De hoofdsom betreft een bedrag van € 150.000,-. De voorwaarden van de lening zijn onder meer: 1. Over de hoofdsom is een rente verschuldigd van 8% nominaal per jaar, ingaande op 11 december 2015; 2. De overeengekomen rente wordt per kwartaal voldaan aan schuldeiser op diens bankrekening; 3. De lening zal worden voldaan middels 12 vaste aflossingstermijnen van maandelijks € 5.000, waarvan de eerste termijn vervalt op 11 januari 2016 en vervolgens maandelijks tot en met december 2016. De slotaflossing van het restant ad € 90.000 geschiedt uiterlijk op 11 december 2016, of zoveel eerder als een regulier bancaire oplossing is geregeld; (…) 6. Als aanvullende zekerheid wordt een persoonlijke borgstelling van de vader [geïntimeerde2] en moeder [geïntimeerde 3] , van de heer [geïntimeerde 1] verstrekt van € 150.000.- voor de duur van de verstrekte overbruggingslening. Voor deze zekerheid is een separate akte van borgstelling opgesteld en aangehecht aan de leningsovereenkomst; (…) 9. Indien enige volgens deze overeenkomst verschuldigde betaling niet op de daarvoor gestelde vervaldag geschiedt zal boven de alsdan geldende rente over het niet betaalde bedrag een boete van één procent (1 %) per maand verschuldigd zijn, met een minimum van tweehonderdvijftig euro (…). 4.3 Op 11 december 2015 hebben [geïntimeerden 2 en 3] c.s. op het kantoor van het notariaat Wijdemeren een akte van borgstelling ondertekend (hierna ook: de overeenkomst van borgtocht). Bij de ondertekening van dit document was [appellant] niet aanwezig maar wel een voor [geïntimeerden 2 en 3] c.s. onbekende medewerker van de notaris. De overeenkomst van borgtocht is opgesteld door de heer [D] , een financieel adviseur. [D] had [geïntimeerde 1] en [B] in contact gebracht met [appellant] , een ondernemer die na de verkoop van zijn bedrijf geregeld in onroerend goed heeft geïnvesteerd. 4.4 De overeenkomst van borgtocht bevat onder meer de volgende bepalingen: 1. Borg verbindt zich middels deze overeenkomst jegens Schuldeiser, als borg voor de schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van € 150.000 van de schuldenaar te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de in de considerans genoemde overeenkomst. Borg is niet gehouden tot nakoming vóórdat de schuldenaar in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten. 2. Deze borgtocht is aangegaan voor een periode van 1 jaar, vanaf 11 december 2015, voor het openstaande schuldbedrag voortvloeiend uit de onderhandse geldlening.(…). 5. (…) Onder de kosten welke ten laste van de borg komen, zijn mede begrepen alle eventuele invorderings- en proceskosten, welke door de schuldeiser ten laste van de schuldenaar kunnen worden gebracht (…) 9. De schuldeiser zal geen uitstel van betaling verlenen aan de schuldenaar zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van de borg. 4.5 In de periode van 22 februari 2016 tot en met 4 november 2016 is alleen een bedrag van in totaal € 9.000,- aan rente aan [appellant] betaald. Op de geldlening is niets afgelost. 4.6 Met de geldlening heeft [C] hoofdzakelijk bestaande schulden afgelost, waaronder een geldlening van € 20.000,- van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. 4.7 [appellant] heeft bij brief van 22 november 2016 de geldlening (te vermeerderen met rente) in zijn geheel opgeëist en [geïntimeerde 1] en [B] gesommeerd tot betaling. Op diezelfde datum heeft [appellant] [geïntimeerden 2 en 3] c.s. per brief aangesproken om het door [geïntimeerde 1] en [B] geleende bedrag met rente aan [appellant] te voldoen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [B] noch [geïntimeerden 2 en 3] c.s. enig bedrag aan [appellant] betaald. 4.8 Op 18 januari 2017 is [C] uitgeschreven uit het handelsregister. 4.9 Op 16 mei 2017 is [B] failliet verklaard. Dit faillissement is later omgezet in een schuldsanering (WSNP). 5Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 5.1 [appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van € 150.000,- te vermeerderen met (contractuele) rente en kosten, alsmede van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. van hetzelfde bedrag in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en kosten, in beide gevallen met de bepaling dat hetgeen [B] dan wel de andere gedaagden op de vordering betalen daarop in mindering strekt. 5.2 [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben in eerste aanleg (in voorwaardelijke reconventie) kort samengevat gevorderd dat de overeenkomst van borgtocht wordt ontbonden dan wel vernietigd 5.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2018 de vordering van [appellant] gericht tegen [geïntimeerde 1] toegewezen en de vordering gericht tegen [geïntimeerden 2 en 3] c.s. afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben gedwaald over de risico’s die zij liepen bij het aangaan van de overeenkomst van borgtocht. Volgens de rechtbank had het op de weg van [appellant] gelegen om [geïntimeerden 2 en 3] c.s. in te lichten omtrent de (in zijn algemeenheid) aan borgtocht verbonden risico’s. Omdat [appellant] dat had nagelaten, moet de dwaling voor rekening van [appellant] komen, waarbij de rechtbank heeft aangeknoopt bij HR 1 juni 1990 ECLI:NL:HR:1990:AB7632(Van Lanschot - Bink). 5.4 Aan de voorwaardelijke tegenvordering van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. is de rechtbank daarom niet toegekomen. Datzelfde geldt voor de in hoger beroep verder niet relevante vordering in vrijwaring van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. tegen [geïntimeerde 1] . 6De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep De vorderingen in hoger beroep 6.1 [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog [geïntimeerden 2 en 3] c.s. veroordeelt tot betaling van € 150.000,- vermeerderd met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 30 november 2016, te verminderen met wat [appellant] ontvangt van of namens [geïntimeerde 1] en/of [B] . 6.2 Daarnaast vordert [appellant] een bedrag van € 2.275,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de veroordeling van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met nakosten. 6.3 [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben bij memorie van antwoord hun oorspronkelijke voorwaardelijke tegenvordering gewijzigd in die zin dat, indien hun als verweer gedane beroep op vernietiging dan wel ontbinding niet slaagt, het hof alsnog de overeenkomst van borgtocht vernietigt, dan wel [appellant] veroordeelt tot een schadevergoeding van € 150.000,- met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, dan wel de overeenkomst ontbindt. 6.4 Het hof zal recht doen op die aldus gewijzigde voorwaardelijke tegenvordering, aangezien de wijziging op het processueel juiste tijdstip is ingesteld en er ook verder geen redenen zijn aangevoerd of gebleken waarom deze eiswijziging niet toelaatbaar zou zijn. De procedure tegen [geïntimeerde 1] 6.5 Tegen de veroordeling door de rechtbank van [geïntimeerde 1] zijn geen grieven aangevoerd. [appellant] concludeert ook tot instandhouding van het vonnis voor zover tegen [geïntimeerde 1] gewezen. Het hof zal [appellant] in zijn hoger beroep voor zover het [geïntimeerde 1] betreft niet-ontvankelijk verklaren. De geldigheid van de overeenkomst van borgtocht 6.6 Niet in geschil is dat de overeenkomst van borgtocht een particuliere borgtocht betreft als bedoeld in artikel 7:857 BW en dat aan de formele vereisten van titel 14 afdeling 2 van boek 7 BW is voldaan. De overeenkomst van borgtocht bevatte ook een zogeheten goedschrift, een handgeschreven bedrag in letters van het bedrag waarvoor de borgtocht geldt. In de door [geïntimeerde2] handgeschreven tekst kan met enige moeite worden gelezen “Goed voor éénduizendvijftigduizend euro”. De handgeschreven tekst van [geïntimeerde 3] luidt “Goed voor één duizend euro.” Dit goedschrift is geen geldigheidsvereiste voor de borgtocht als zodanig en ziet eerder op de bewijskracht van de akte waarin de borgtocht is opgenomen (zie artikel 158 Rv). Dat het goedschrift niet overeenstemt met het in de akte van borgstelling opgenomen bedrag, doet niet af aan de geldigheid van de overeenkomst van borgtocht. 6.7 [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben de vernietiging van de overeenkomst van borgtocht ingeroepen op grond van dwaling omdat zij de risico’s dat zij op grond van de borgtocht daadwerkelijk tot betaling van het bedrag waarvoor zich borg hadden gesteld door [appellant] konden worden aangesproken, verkeerd hadden ingeschat. Hun standpunt komt er primair op neer dat op [appellant] een zorgplicht rustte om hen in te lichten over de risico’s die een borg loopt. 6.8 De grieven 1 en 3 keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat een dergelijke verplichting op [appellant] rust. Deze grieven zijn terecht voorgedragen. Het hof motiveert dit als volgt. De Hoge Raad heeft in het door de rechtbank aangehaalde arrest Van Lanschot - Bink geoordeeld dat een professionele kredietverstrekker een bijzondere zorgplicht heeft jegens een particuliere borg. De bedoeling van die zorgplicht is dat de aspirant borg zich bewust is van de risico’s die hij aangaat door zich borg te stellen voor de schuld van een derde. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat een dergelijke zorgplicht voor de professionele kredietverstrekker alleen bestaat in bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Van Lanschot-Bink, gaat dat betoog niet op. De Hoge Raad heeft de regel van dit arrest bevestigd in zijn arrest van 1 april 2016. Daarin is wel overwogen dat de invulling van de zorgplicht afhangt van de omstandigheden van het geval (zoals de relatie tussen de beoogde borg en de schuldenaar) maar is het bestaan van een zorgplicht van een professionele kredietverstrekker als zodanig in stand gebleven. Deze zorgplicht rust echter alleen op de professionele kredietverstrekker en niet op elke kredietverstrekker. Dat volgt uit het arrest van de HR van 21 maart 2014 waarop [appellant] zich terecht heeft beroepen. [appellant] is naar ’s hofs oordeel niet aan te merken als een professionele kredietverstrekker. Hij is niet anders dan een welvarende particulier die zijn vermogen in een aantal objecten belegt. Het hof verwerpt het betoog van [geïntimeerden 2 en 3] c.s. dat op [appellant] een bijzondere zorgplicht rust omdat hij meer ervaring met kredietverstrekking heeft dan zijzelf, nu dat niet het relevante criterium is. 6.9 Het hof moet vervolgens beoordelen of het ontbreken van de zorgplicht betekent dat [geïntimeerden 2 en 3] c.s. geen beroep op dwaling toekomt. 6.10 [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben zich naast op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW, ook beroepen op wilsontbreken, door de rechtbank aangeduid als oneigenlijke dwaling (de artikelen 3:33-3:35 BW). [geïntimeerden 2 en 3] c.s. hebben dit verweer in hoger beroep gehandhaafd. Het hof is het met de rechtbank eens dat dit verweer niet opgaat. [geïntimeerden 2 en 3] c.s. stellen ook niet met zoveel woorden dat zij geen borgtochtovereenkomst hebben willen sluiten, maar dat zij geen borgtochtovereenkomst voor 1 jaar hebben gewild en uitgingen van een overeenkomst van drie maanden. Dit zou hen door [geïntimeerde 1] zijn voorgehouden. In de borgtochtovereenkomst staat echter de duur van een jaar en [appellant] heeft gesteld dat met hem nooit over een kortere duur is gesproken en dat hij ook niets wist van dergelijke mededelingen van [geïntimeerde 1] tegenover zijn ouders. Gesteld al dat [geïntimeerde 1] een dergelijke mededeling heeft gedaan, blijkt uit niets dat [appellant] daarmee op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn. Dit is door [geïntimeerden 2 en 3] c.s. ook niet gesteld. Het hof passeert hun in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod, aangezien [geïntimeerden 2 en 3] c.s. op dit punt onvoldoende hebben gesteld en het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. [appellant] mocht dan ook uitgaan van de duur van de borgstelling van één jaar zoals die in de door [geïntimeerden 2 en 3] c.s. ondertekende overeenkomst was opgenomen. De niet (geheel) met de inhoud van de overeenkomst corresponderende goedschriften met het in de akte van borgstelling opgenomen bedrag maken dit niet anders. Deze hebben geen relatie met de voorziene duur van de borgtocht. Dat de wil van [geïntimeerden 2 en 3] zou zijn gericht op een borgtocht voor een lager bedrag dan € 150.000,- hebben zij ook niet betoogd. 6.11 Wat het beroep op artikel 6:228 BW betreft, overweegt het hof nog het volgende. Op grond van art. 6:228 lid 1 BW is een overeenkomst die tot stand gekomen is onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar in een drietal gevallen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.