GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.198.948/01 CJIB-nummer : 187539595 Uitspraak d.d. : 17 december 2019 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2016, betreffende [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 1 mei 2017 zijn nog aanvullende stukken van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een (foto)kopie hiervan is aan de advocaat-generaal toegezonden. Op 27 maart en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ingekomen. Beoordeling
- De gemachtigde heeft in hoger beroep aangevoerd dat het recht om te worden gehoord in de procedure bij de officier van justitie is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt – de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen overigens tegen deze beslissingen is aangevoerd, behoeft daarmee geen bespreking meer.
- Thans staan ter beoordeling van het hof de namens de betrokkene aangevoerde bezwaren tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 februari 2015 om 11:53 uur op De Tol in Werkendam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
- Het verweer van de gemachtigde komt er in de kern op neer dat de gedraging niet is verricht, omdat het elektrische voertuig van de betrokkene conform de aangegeven wijze op de desbetreffende parkeerplaats stond, waarbij nog wordt opgemerkt dat van parkeren geen sprake is. Uit het bord dat bij deze parkeerplaats(en) staat, waarvan een foto is bijgevoegd, volgt slechts dat deze bestemd zijn voor elektrische voertuigen en niet ook dat deze aan het opladen moeten zijn.
- Artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) bepaalt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden."
- De onder
- genoemde gedraging is een overtreding van artikel 24 van het RVV
- Dit artikel houdt in, voor zover van belang: “
- De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: d. op een parkeergelegenheid: (…)
- op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven.”
- Uit hoofdstuk E van bijlage 1 van het RVV 1990 blijkt dat een parkeergelegenheid wordt aangeduid met bord E
- Artikel 67, tweede lid, van het RVV 1990 luidt voorts: “Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.”
- De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt enerzijds in dat de parkeerplaats uitsluitend geschikt is voor voertuigen die elektrisch kunnen laden en anderzijds dat er niet elektrisch werd geladen en dat daarom de gedraging is verricht.
- Op de door de gemachtigde overgelegde foto is een bord E4 te zien met onderbord. Op dit onderbord staat een schuin naar links en een schuin naar rechts wijzende pijl, alsmede de volgende tekst: “alleen elektrische voertuigen”. Voor de paal waaraan dit bord is bevestigd, staat een oplaadpaal voor elektrische voertuigen.
- Het hof overweegt dat de tekst op het onderbord bij het bord E4 (slechts) inhoudt “alleen elektrische voertuigen”. Uit de verklaring van de ambtenaar kan worden afgeleid dat hij een sanctie op heeft willen leggen voor het parkeren op een parkeergelegenheid voor elektrische voertuigen terwijl dat voertuig niet werd opgeladen. Dat de bestuurder van een elektrisch voertuig slechts op die parkeergelegenheid mag parkeren als het voertuig wordt opgeladen, is op het onderbord echter niet aangegeven. Nu een andere wijze van parkeren evenmin is voorgeschreven, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,
- Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,
- Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.