← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:58

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.200.608/01 CJIB-nummer : 191796210 Uitspraak d.d. : 6 januari 2020 Tussenarrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2016, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling

  1. De gemachtigde voert aan dat de griffier van de rechtbank heeft geweigerd hem afschriften te verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde had uitdrukkelijk om afschriften gevraagd.
  2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid, (destijds: vierde lid) van de Wahv (vergelijk het arrest van dit hof van 4 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5606).
  3. Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
  4. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde er bij brief van 16 augustus 2016 op is gewezen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende een in die brief vermelde termijn ter inzage liggen op de griffie van de rechtbank. Aldus is uitvoering gegeven aan de in voormeld artikel besloten liggende informatieverplichting (vgl. het arrest van het hof van 20 september 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:7674). Nu niet is gesteld of gebleken dat de gemachtigde binnen de termijn van de terinzagelegging van de stukken heeft verzocht om verstrekking van afschriften, is er geen sprake van schending van het recht op kennisname van de stukken. Het verweer faalt.
  5. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene, als kentekenhouder, een sanctie is opgelegd van € 87,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 11 km/u (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 augustus 2015 om 09:53 uur op de N57 provinciale weg (Oude Westerloosedijk - Vissersweg) in Goedereede met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
  6. De gemachtigde voert onder meer aan dat geen sprake was van deugdelijke bebording op het traject. Normaliter geldt buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 80 km per uur. Volgens de gemachtigde is de betrokkene geen bebording gepasseerd waarop een afwijkende maximumsnelheid is aangegeven.
  7. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betwisting van de aanwezigheid van (deugdelijke) bebording bij snelheidsovertredingen die op geautomatiseerde wijze worden vastgesteld, slechts kan worden weerlegd aan de hand van stukken – bijvoorbeeld schouwrapporten – die aannemelijk maken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was (vgl. het arrest van het hof van 25 september 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl, vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:8537).
  8. In de onderhavige zaak is de gedraging blijkens het zaakoverzicht op geautomatiseerde wijze vastgesteld door middel van geijkte radarapparatuur die in een vaste flitspaal is gemonteerd.
  9. Het hof stelt vast dat de verweren van de gemachtigde op 19 mei 2017 in afschrift aan de advocaat-generaal zijn toegestuurd. Aangezien op dat moment voormeld arrest van 25 september 2018 nog niet was gewezen, ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen om - voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke - informatie met betrekking tot de aanwezigheid van deugdelijke bebording in het geding te brengen.
  10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Beslissing Het gerechtshof: stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid voormelde informatie binnen vier weken na dagtekening van dit arrest over te leggen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit tussenarrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.