Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002081-19 Uitspraak d.d.: 23 juli 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2019 met parketnummer 96-067486-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig dagen en oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijftien maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. M. Rosema, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 14 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het rijden op de openbare weg, onder invloed van alcohol en zonder dat hij in het bezit was van een rijbewijs, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig dagen en aan hem een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijftien maanden opgelegd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof, naar aanleiding van hetgeen ter zitting door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent de persoonlijke omstandigheden, dat die geen aanleiding vormen anders dan de rechtbank te beslissen. Het hof heeft met de rechtbank de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden in aanmerking genomen. Ook de frequente recidive speelt in de afweging over de strafmaat een rol waarbij het hof met de rechtbank vaststelt dat artikel 22b Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte maken tegen de achtergrond van het vorenstaande niet dat kan worden volstaan met een korte vrijheidsstraf in combinatie met een taakstraf. Slechts de gevorderde en door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf acht het hof passend en geboden. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden bevestigen. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mr. J. Dolfing en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier, en op 23 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.