GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.271.536 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 483095 (zorgregeling) en 483099 (alimentatie) beschikking van 11 augustus 2020 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Marbus-Hulshof te Vleuten, gemeente Utrecht. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 oktober 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, verder ook te noemen: de bestreden beschikking. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 december 2019; het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties; het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie; een journaalbericht van mr. Jansse van 4 juni 2020 met producties; een journaalbericht van mr. Marbus-Hulshof van 5 juni 2020 met producties; een journaalbericht van mr. Marbus-Hulshof van 10 juni 2020 met productie 26; een journaalbericht van mr. Jansse van 11 juni 2020 met één prodcutie. 2.2 De hierna nader te noemen minderjarige zoon van partijen, [kind 1] , heeft in een brief van 4 mei 2020 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt over de zorgregeling. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 18 juni 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is [vertegenwoordiger van de raad] verschenen, namens de raad voor de kinderbescherming. 2.4 Het hof heeft op 23 juni 2020 een journaalbericht van mr. Jansse namens de man ontvangen met het verzoek om nog een inhoudelijke reactie te mogen geven vanwege een zeer dringende gelegenheid die na de zitting is ontstaan. Mr. Marbus-Hulshof heeft hiertegen namens de vrouw via een journaalbericht van 25 juni 2020 en een brief van diezelfde datum bezwaar gemaakt. Het hof ziet, nu de behandeling door het hof is gesloten, geen aanleiding om de man de gelegenheid te geven voor een nagekomen reactie. 3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van: [kind 1] , geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] , en [kind 2] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] . De man heeft de kinderen erkend. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. De man en de vrouw hebben samen het gezag over de kinderen. 3.2 In de beschikking van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2012 is onder andere in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de kinderen om de week een weekend van vrijdag tussen 16.00 en 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijven en is bepaald dat de man een bedrag van € 35,- per kind per maand aan de vrouw zal betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: kinderalimentatie). 3.3 In het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 augustus 2019 is - voor zover thans van belang - de vrouw veroordeeld de zorgregeling na te komen. Die zorgregeling houdt in dat de kinderen met ingang van 17 augustus 2019 elk tweede weekend van vrijdag na het eten om 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt, alsmede dat de kinderen gedurende de zomervakantie 2019 en de herfstvakantie 2019 een aantal dagen bij de man verblijven. De vrouw is daarbij veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of iedere keer dat zij niet aan de uitgesproken hoofdveroordeling (zorgregeling) voldoet, dit tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. 4Het geschil 4.1 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, voormelde beschikking van 8 februari 2012 gewijzigd en, uitvoerbaar bij voorraad: - als zorgregeling bepaald dat de kinderen bij de man verblijven om de week van vrijdag na het eten van 19.30 uur tot zondag 19.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt, alsmede de helft van de vakanties, in onderling overleg te bepalen; - de kinderalimentatie met ingang van 21 juni 2019 op € 220,- per kind per maand vastgesteld. 4.2 De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de verdeling van de vakanties in het kader van de zorgregeling en op de hoogte van de draagkracht van de man en de vrouw. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt de zorgregeling uitsluitend met betrekking tot de regeling voor de vakanties) en te bepalen dat: de zorgregeling wordt vastgesteld met betrekking tot de vakanties zoals in grief I onder a tot en met e opgenomen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag indien de vrouw deze zorgregeling niet nakomt; de kinderalimentatie te bepalen op € 204,- per maand in totaal, oftewel € 102,- per kind per maand. 4.3 De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de hoogte van haar draagkracht. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de verzoeken van de man in het principaal hoger beroep af te wijzen; in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de daarin door de rechtbank gewijzigde kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van 21 juni 2019 een kinderalimentatie van € 237,- per kind per maand aan haar dient te voldoen, kosten rechtens. 4.4 De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep van de vrouw en verzoekt het incidenteel hoger beroep af te wijzen. 4.5 Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De overwegingen voor de beslissing Zorgregeling 5.1 Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.2 Partijen hebben in hoger beroep geen grieven gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde weekendregeling, inhoudende dat de kinderen een weekend per veertien dagen bij de man verblijven. De man heeft een grief gericht tegen de verdeling van de vakanties. Partijen hebben in eerste aanleg na onderling overleg afgesproken dat zij de vakanties bij helfte zullen verdelen en dat zij dat in onderling overleg zullen afstemmen. Volgens de man heeft de vrouw direct nadat de rechtbank een beslissing had gegeven weer de ruimte genomen om de vastgestelde regeling niet na te komen. Er is discussie over de herfst- en de kerstvakantie geweest. Volgens de man is daarom een tot in detail vastgelegde regeling, versterkt met een dwangsom, nodig. 5.3 De vrouw betwist het vorenstaande en stelt dat de man geen belang heeft bij het hoger beroep. De vrouw is van mening dat een dichtgetimmerde regeling voor de vakanties onhandig is. In onderling overleg lukt het nu niet goed. Dat komt omdat de man al in november de zomervakantieweken voor het daaropvolgende jaar bij zijn werkgever moet opgeven. De vrouw kan over haar vakantieweken pas in januari overleg voeren met haar werkgever en moet daarbij ook rekening houden met de vakantiewensen van haar collega’s. Als zij zich moet aanpassen aan de man, heeft zij al geen keuze meer. De vrouw is bovendien benieuwd of de kinderen daadwerkelijk drie weken bij de man zullen blijven. Tot nu toe hebben de kinderen altijd slechts twee aaneengesloten weken bij de man doorgebracht in de zomervakantie. Verder stelt de vrouw dat het opleggen van een dwangsom niet nodig en niet wenselijk is. 5.4 De vertegenwoordiger namens de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij constateert dat de ouders in hun standpunten de belangen van de kinderen niet noemen. Afstemmen met werkgevers over vakanties is altijd ingewikkeld en als de ouders niet bereid zijn over en weer concessies te doen, wordt het bijna onmogelijk om iets af te spreken. De ouders kunnen een vastomlijnde regeling afspreken, maar er kan zich altijd een situatie voordoen waarvoor alsnog in onderling overleg een oplossing moet worden gezocht. Daarom is het volgen van het ouderschapstraject door de ouders van wezenlijk belang. Bij het vaststellen van een regeling moeten ook de wensen van de kinderen in aanmerking worden genomen. Als de kinderen in de zomervakantie drie weken bij de vader gaan verblijven moet dit goed aan hen worden uitgelegd. Daarbij is op dit moment begeleiding nodig, zowel voor de ouders als voor de kinderen. 5.5 Het hof stelt vast dat de vrouw geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de beslissing dat de vakanties bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om te zorgen dat de kinderen regelmatig contact hebben met beide ouders en dat zij bij beide ouders gedurende de vakantie en feestdagen een substantieel deel van hun tijd doorbrengen. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig een voor ieder gelijkwaardige verdeling af te spreken voor de vakanties. De ouders hebben zich aangemeld voor een ouderschapsbemiddelingstraject, maar dit traject stagneert op dit moment in afwachting van deze procedure bij het hof. Voor dit jaar heeft de man overeenkomstig de door hem verzochte regeling voor de zomervakantie - inhoudende dat de kinderen in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader en de volgende drie weken bij de vrouw zullen verblijven - de eerste drie weken vrij gevraagd. 5.6 Het hof is van oordeel dat de door de man omschreven verdeling van de vakantiedagen in zijn beroepschrift onder grief I alsmede de daaraan gekoppelde dwangsom moeten worden toegewezen, nu de ouders niet in staat zijn om zich enigszins flexibel op te stellen naar de andere ouder. Er ontstaat snel een ruzieachtige sfeer wanneer de ouders moeten overleggen en daarom is het in het belang van de kinderen dat het overleg voorlopig tot een minimum wordt beperkt. Op die manier ondervinden de kinderen zo weinig mogelijk hinder van de situatie tussen de ouders. Zoals de vertegenwoordiger van de raad ook heeft benoemd, is het heel belangrijk dat de ouders het ouderschapsproject zo snel mogelijk oppakken. Indien de communicatie met professionele hulp en begeleiding verbetert, kunnen de ouders alsnog in onderling overleg andere afspraken maken over de zorgregeling. Tot die tijd moet het verblijf bij de man in de vakanties worden uitgevoerd volgens een duidelijke, vaste regeling. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van beide ouders om te zorgen dat hun werkgever bereid is mee te werken aan het mogelijk maken van de uitvoering van de regeling en als dit onverhoopt niet lukt daarvoor in eerste instantie zelf een oplossing te vinden. Op grond van het hiervoor overwogene slaagt de grief van de man en zal het hof beslissen als hierna zal worden vermeld. Voor de duidelijkheid zal het hof de gehele zorgregeling vernietigen en opnieuw vaststellen. Kinderalimentatie 5.7 Gebleken is dat sprake is van een relevantie wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een nieuwe beoordeling van de hoogte van de kinderalimentatie rechtvaardigt, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen. 5.8 Niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen geïndexeerd naar 2019 in totaal € 691,- per maand bedraagt. Partijen hebben verder geen grieven gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum voor de gewijzigde bijdrage voor de kinderen, te weten 21 juni 2019, de datum waarop het verzoekschrift van de vrouw bij de rechtbank is ingekomen. Het hof zal daarom ook van die behoefte en ingangsdatum uitgaan. 5.9 De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen (verder: de Expertgroep) zullen worden toegepast. Aanhechten draagkrachtberekeningen 5.10 Het hof zal bij de bespreking van de draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen. Het hof bespreekt hierna alleen die uitgangspunten waarover partijen van mening verschillen. Inkomen en draagkracht van de man 5.11 De man voert in zijn tweede grief aan dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met zijn vergoedingen voor overwerk en onregelmatige werktijden. Deze zijn niet structureel en worden bij ziekte niet ontvangen. Op grond van alleen zijn basisinkomen van € 2.457,12 bruto heeft de man een netto inkomen van € 1.795,78 per maand. Zijn maandelijkse kosten en de thans bepaalde kinderalimentatie bedragen samen € 1.838,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.