Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001277-19 Uitspraak d.d.: 13 augustus 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 21 februari 2019 met parketnummer 96-206575-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-006928-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 640,- subsidiair 12 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is gevorderd de tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 96-006928-17 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen van 2 maanden te gelasten. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.R. Stoeten, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kantonrechter heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde en de vordering tot tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen van 2 maanden afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot andere beslissingen komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 12 oktober 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (bedrijfsauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straatnaam] , heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Verdachte erkent wel te hard te hebben gereden, maar niet zoveel te hard als hem wordt verweten. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] , die verklaart dat verdachte voor hem uit is gereden en dat hij er met hogere snelheid achteraan is gereden en op verdachte is ingelopen. Pas in hoger beroep komen de verbalisanten met een uitgebreider proces-verbaal en nog steeds is er onduidelijkheid over hoe de meting precies heeft plaatsgevonden. De verbalisanten hebben [getuige] over een meetafstand van 700 meter met een tussenafstand van 250 meter gevolgd. De raadsman betwijfelt dat de verbalisanten over een nog grotere afstand dan 250 meter hebben kunnen waarnemen dat verdachte op [getuige] uitliep. Gelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, is het hof van oordeel dat op basis van slechts het in eerste aanleg overgelegde proces-verbaal van overtreding, het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, nu daarin niet is ingegaan op de bijzondere omstandigheden in deze zaak. In het in hoger beroep overgelegde aanvullend proces-verbaal van 1 maart 2019 verklaren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met betrekking tot deze omstandigheden dat zij in [straatnaam] van [plaats] reden. Zij zagen ter hoogte van restaurant [naam restaurant] twee auto’s optrekken en met hoge snelheid wegrijden. Beide auto's reden achter elkaar aan. Verdachte reed voorop en daarachter reed [getuige] . De verbalisanten hebben beide auto’s gevolgd en stelden met de boordsnelheidsmeter van hun dienstvoertuig vast dat de snelheid van beide auto's boven de maximum gestelde snelheid van 50 km per uur lag. De verbalisanten besloten de snelheid te meten met de boordsnelheidsmeter. Omdat het niet mogelijk bleek de snelheid van beide auto's te meten, besloten de verbalisanten de snelheid van het achterste voertuig te meten en deze te gebruiken voor beide auto's. De meting werd verricht over een afstand van ongeveer 700 meter. De afstand tussen het dienstvoertuig en het achterste voertuig was ongeveer 250 meter, deze afstand bleef gelijk gedurende de meting. Ter hoogte van de dijk zagen de verbalisanten dat de bestuurder van het voorste voertuig zijn auto tegen de dijk omhoog stuurde en kort daarna weer naar beneden stuurde. Tijdens de meting zagen de verbalisanten dat het voorste voertuig uitliep op het achterste voertuig. Hoewel het voorste voertuig uitliep op het achterste voertuig en daarmee de snelheid van het voorste voertuig hoger lag, bleven de verbalisanten bij het besluit om de gemeten snelheid van het achterste voertuig aan te houden voor beide voertuigen. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het ten laste gelegde op basis van het aanvullende proces-verbaal wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de waarneming van de verbalisanten te twijfelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het stuk weg waarop de meting is verricht, recht is en de meetafstand 700 meter heeft bedragen, hetgeen betekent dat verbalisanten langere tijd zicht hebben gehad op beide voertuigen. De stelling dat [getuige] op enig moment met hogere snelheid op verdachte zou zijn ingelopen, is onvoldoende om aan de waarneming van de verbalisanten te twijfelen. Dat pas later aanvullend is verklaard over de wijze waarop de meting heeft plaatsgevonden, doet aan de betrouwbaarheid van die verklaring evenmin af. Het verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij, op 12 oktober 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (bedrijfsauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straatnaam] , heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.