Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006406-19 Uitspraak d.d.: 24 augustus 2020 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 25 juni 2018 met parketnummer 18-930030-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens betrokkene door zijn raadsman, mr. A.F. Mandos, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 45.832,78 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 45.832,78 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd dat er door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag een ontnemingsvordering tegen betrokkene aanhangig is gemaakt betreffende dezelfde feiten en dezelfde periode. Er is sprake van een dubbele vervolging en daarom dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot ontneming. Het hof overweegt hierover het volgende. Het ne bis in idem-beginsel of het verbod van dubbele vervolging, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. Artikel 68 Sr is op het onderhavige geval niet van toepassing, omdat er – voor zover het al dezelfde feiten betreft – geen sprake is van een onherroepelijke beslissing van de rechtbank Den Haag. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit hof van 24 augustus 2020 (parketnummer 21-003627-18) ter zake van oplichting, bedreiging en openlijke geweldpleging veroordeeld tot straf. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit de bewezenverklaarde oplichtingen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk voordeel op de volgende bewijsmiddelen: Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e lid 2 Sr, opgemaakt en getekend op 10 januari 2017 door [verbalisant 1] , hoofdagent van Politie Noord-Nederland, Crimeteam Noord-Drenthe, genummerd 2017009912, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:Ik heb een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1992.Uit het opsporingsonderzoek bleek het volgende:Aangevers hebben via de website [naam website] contact gehad met verdachte, waar vervolgens mee werd afgesproken om een seksafspraak te maken. Hiervoor moest geld worden overgemaakt naar een bankrekening. Aan de aangevers en andere gedupeerden werd eerst gevraagd bij welke bank ze een rekening hadden lopen. Hier had verdachte dan ook een rekening lopen en werd het betreffende rekeningnummer aan de aangevers/gedupeerden doorgegeven.Verdachte [verdachte] had in elk geval drie bankrekeningnummers bij drie verschillende banken lopen, te weten ABN Amro, Rabobank en ING. Door het rekeningnummer van dezelfde bank te nemen is vrij snel zichtbaar of het geld daadwerkelijk is overgemaakt.Vervolgens werd door verdachte aangegeven dat het geld vast stond bij de bank en dat de aangevers nogmaals geld over moesten maken zodat het los kwam. Dit werd meerdere malen verteld en aangevers hebben meerdere keren bedragen overgemaakt.Het totaal van de bijgeboekte bedragen met omschrijvingen die duiden op de seksafspraken op de rekeningoverzichten van [verdachte] is € 44.853,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.