GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummer 20/00344 uitspraakdatum: 8 september 2020 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van VOF [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 januari 2020, nummer AWB 19/2452, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2018)verschuldigd. Een dwangbevel met bevel tot betaling wordt betekend door een belastingdeurwaarder. De kosten van deze werkzaamheid kunnen door hem aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht (vgl. artikel 1 Kostenwet). Daartegen kan, gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, Kostenwet, administratief beroep bij de ontvanger worden ingesteld en vervolgens rechtsmiddelen worden aangewend bij de belastingrechter. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat vervolgingskosten als de onderhavige door een belastingdeurwaarder bij het dwangbevel in rekening kunnen worden gebracht. Dit is in het onderhavige geval geschied in het op 28 november 2018 om 09.43 uur aan (een vennoot van) belanghebbende betekende exploot. De vermelding daarin van de kosten van € 12.197 vormt naar het oordeel van het Hof een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, Awb waartegen, gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, Kostenwet administratief beroep bij de ontvanger open staat. 4.7. Uit het hiervóór overwogene kan de tussenconclusie worden getrokken dat, anders dan belanghebbende betoogt, haar op 28 november 2018 bij beschikking kosten van vervolging door de belastingdeurwaarder in rekening zijn gebracht waartegen het rechtsmiddel van administratief beroep bij de Ontvanger openstaat. Voor een niet-ontvankelijkverklaring het ‘bezwaar’ (dat in wezen dus een administratief beroep vormt) als door belanghebbende bepleit bestaat derhalve geen grond. De Ontvanger heeft ‘het bezwaar’ (dat moet worden geduid als administratief beroep) in zijn uitspraak van 29 maart 2019 terecht ontvankelijk geacht. In gebreke 4.8. Kosten van vervolging kunnen ingevolge artikel 1 Kostenwet eerst in rekening worden gebracht als de belastingschuldige in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen. In zijn hiervoor genoemde arrest van 17 juli 2020 met betrekking tot door een ontvanger in rekening gebrachte vervolgingskosten, heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, geoordeeld: “2.4.5. (….) wordt naar het oordeel van de Hoge Raad aan de eis van het in rekening brengen van kosten als bedoeld in artikel 1 Kostenwet voldaan indien een terstond en tot het volle bedrag invorderbare aanslag aan de schuldenaar is betekend, het aan de schuldenaar betekende dwangbevel de kosten vermeldt, en aan de schuldenaar een redelijke betalingstermijn is aangezegd waarvan de inachtneming tot gevolg heeft dat de in rekening gebrachte kosten niet zijn verschuldigd. Bij (vrijwel) gelijktijdige toepassing van artikel 10, lid 1, letters b en d, en artikel 15 Invorderingswet 1990 is een betalingstermijn van twee dagen in beginsel een redelijke termijn om aan de kosten te ontkomen, die overeenstemt met het uitgangspunt dat kosten van invordering niet in rekening kunnen worden gebracht zonder dat de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. Ongeacht of deze termijn in een dwangbevel wordt aangeduid als een voorwaarde of een tijdsbepaling, kan in geen geval worden aangenomen dat de belastingplichtige in gebreke is gebleven als bedoeld in artikel 1 Kostenwet voordat de gestelde termijn is verstreken. (…).” 4.9. Deze rechtsregel geldt ook in een geval als het onderhavige waarin de kosten van vervolging door de belastingdeurwaarder in de akte van betekening van het dwangbevel zijn vermeld, derhalve bij het dwangbevel zoals artikel 12, tweede lid, Invorderingswet 1990 voorschrijft. 4.10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangezegde betalingstermijn van twee dagen niet redelijk is, gelet op onder meer de hoogte van de naheffingsaanslag en de beslaglegging op haar voorraad en de afvoer daarvan. De Ontvanger stelt dat de betalingstermijn van twee dagen redelijk is om aan de kosten te ontkomen. 4.11. Als uitgangpunt geldt, gelet op het arrest van 17 juli 2020, dat een betalingstermijn van twee dagen in beginsel een redelijke termijn is om aan de kosten van vervolging te ontkomen. Naar het oordeel van Hof bestaat geen aanleiding om in dit geval van een langere betalingstermijn uit te gaan, nu belanghebbende op 28 november 2018 – naar de Ontvanger onweersproken heeft gesteld – heeft aangegeven de naheffingsaanslag niet te kunnen betalen. Daartoe beschikte zij niet over voldoende liquiditeiten. De omstandigheid dat de in beslag genomen goederen een hoge waarde vertegenwoordigden en het bedrijfspand aanvankelijk ten onrechte aan het vermogen van de firmanten in privé is toegerekend, doet daaraan niet af. Het Hof acht aannemelijk dat ook zonder de beslaglegging en afvoer van de voorraad de belastingschuld niet op korte termijn had kunnen worden betaald. 4.12. In aanmerking genomen dat: (
- i)de onderhavige terstond en tot het volle bedrag invorderbare naheffingsaanslag aan belanghebbende op 28 november 2018 is betekend, (
- ii)zij op dat moment daarvan kennis heeft genomen, (iii) bij het dwangbevel – in de akte van betekening daarvan – de kosten van € 12.197 in rekening zijn gebracht en (
- iv)belanghebbende daarbij een redelijke betalingstermijn van twee dagen is aangezegd waarvan de inachtneming tot gevolg zou hebben gehad dat de in rekening gebrachte kosten niet zouden zijn verschuldigd, is aan de eis van het in rekening brengen van kosten als bedoeld in artikel 1 Kostenwet voldaan. Nu belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen die termijn heeft betaald, zijn de kosten belanghebbende in zoverre terecht op 28 november 2018 in rekening gebracht. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de kosten eerst na het verstrijken van de gestelde betalingstermijn in rekening mochten worden gebracht, is deze stelling onjuist (vgl. r.o. 2.5 van het genoemde arrest van 17 juli 2020). 4.13. Omdat de kosten van het betekenen van het onderhavige dwangbevel van 28 november 2018 belanghebbende niet tweemaal in rekening kunnen worden gebracht, moet – gelet op het hiervoor overwogene – ervan worden uitgegaan dat de beschikking van 7 december 2018 rechtskracht ontbeert. De brief van de Ontvanger van 26 augustus 2019 verdient in het licht van het voorgaande weliswaar geen schoonheidsprijs, maar doet aan deze conclusie niet af. Uitstel van betaling 4.14. Het in de pleitnota vervatte betoog van belanghebbende onder het kopje ‘uitstel van betaling’ mist, gelijk ook belanghebbende in onderdeel 20 van haar pleitnota stelt, betekenis, nu de kosten belanghebbende op 28 november 2018 in rekening zijn gebracht en de ‘beschikking’ van 7 december 2018 rechtskracht ontbeert. De stelling van belanghebbende dat met betrekking tot de naheffingsaanslag op 6 december 2018 uitstel van betaling is verleend door de Ontvanger, doet niet ter zake. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 4.15. Belanghebbende stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de Ontvanger het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden doordat hij haar niet vooraf in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord met betrekking tot de beslissing tot versnelde invordering, beslaglegging en afvoer van goederen. 4.16. Dit standpunt faalt reeds omdat het bezwarende besluit in deze procedure niet de beslissing tot versnelde invordering, beslaglegging en afvoer van goederen is maar de beschikking van de Ontvanger inzake de vervolgingskosten van 28 november 2018. 4.17. In zoverre het standpunt van belanghebbende moet worden opgevat als dat de Ontvanger het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden doordat hij haar niet vooraf in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord met betrekking tot deze kostenbeschikking, is het volgende, gelet op HR 19 juni 2020, nr. 18/03982, ECLI:NL:HR:2020:1044, van belang. 4.18. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, volgt de regel dat aan de hand van de specifieke omstandigheden van elk geval moet worden beoordeeld of een beperking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel toelaatbaar is. Hierbij moet met name rekening worden gehouden met de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Deze regel geldt ook voor bezwarende besluiten die worden vastgesteld met toepassing van een nationale regeling die valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht, waaronder de Wet op de omzetbelasting 1968 moet worden begrepen. 4.19. In een geval waarin de belanghebbende niet voorafgaand aan het vaststellen van het bezwarende besluit is gehoord, heeft het Hof van Justitie van de EU in het arrest Prequ’ Italia verduidelijkt dat het horen van de belanghebbende tijdens de fase van bezwaar tegen dit bezwarende besluit onder bepaalde voorwaarden alsnog de eerbiediging van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan verzekeren. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden van het geval behoort dan of en, zo ja, onder welke voorwaarden de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit (al dan niet automatisch) kan worden opgeschort tijdens de fase van bezwaar. 4.20. Evenals de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat het onderhavige bezwarende besluit van de kostenbeschikking valt binnen het toepassingsgebied van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Europeesrechtelijke voorschriften, zoals de Wet op de omzetbelasting 1968 uitvoering geeft aan de BTW-richtlijn 2006, vallen namelijk binnen het toepassingsgebied van het recht van de Europese Unie. Dit geldt volgens de Hoge Raad (14 augustus 2015, nr. 13/01940, ECLI:NL:HR:2015:2161) ook voor de aansprakelijkheidstelling voor verschuldigde omzetbelasting op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990. Hiermee wordt namelijk uitvoering gegeven aan de door artikel 4, lid 3, van het Verdrag van de Europese Unie aan de lidstaten opgelegde verplichting alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden. Dit laatste geldt naar het oordeel van het Hof ook met betrekking tot de hier aan de orde zijnde kostenbeschikking. 4.21. De Ontvanger heeft gesteld dat hier geen sprake is van een inbreuk op het verdedigingsbeginsel. Volgens de Ontvanger vormen de hier aan de orde zijnde, in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, Invorderingswet 1990 vervatte gronden voor versnelde invordering een rechtvaardiging voor het niet-horen van belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de kostenbeschikking. 4.22. Gronden die toepassing van artikel 10 Invorderingswet 1990 rechtvaardigen moeten worden beschouwd als gronden die een beperking rechtvaardigen van het recht vooraf te worden gehoord (vgl. HR 10 juli 2015, nr. 14/04046, ECLI:NL:HR:2015:1809). De vraag of de Ontvanger terecht is overgegaan tot versnelde invordering op basis van artikel 10, eerste lid, onderdeel b (gegronde vrees voor verduistering), Invorderingswet 1990, dient door de burgerlijke rechter te worden beantwoord (vgl. HR 17 juli 2020, nr. 20/00082, ECLI:NL:HR:2020:1200). Nu belanghebbende ter zake van het dwangbevel geen civiele verzetprocedure ex artikel 17 Invorderingswet 1990 heeft geëntameerd, moet naar het oordeel van het Hof in deze belastingprocedure ervan worden uitgegaan dat die gronden aanwezig waren. Overigens is het Hof – ten overvloede – met de Rechtbank voor oordeel dat, gelet op de aard van de goederen (goud en sieraden) en de bevindingen van het boekenonderzoek, aannemelijk is dat sprake was van een gegronde vrees voor verduistering. Gelet hierop, had de Ontvanger (belastingdeurwaarder) een rechtvaardiging om de kostenbeschikking aan belanghebbende op te leggen zonder haar eerst te horen en heeft hij dus het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet geschonden (vgl. HR 26 juni 2020, nr. 19/03226, ECLI:NL:HR:2020:1144, r.o. 3.5.2. en HR 19 juni 2020, nr. 18/03982, ECLI:NL:HR:2020:1044, r.o. 2.2.2). Opmerking verdient nog dat belanghebbende met betrekking tot het bezwarende besluit (de kostenbeschikking) in bezwaar (administratief beroep) overeenkomstig de voorschriften van de Awb is gehoord en dat de Ontvanger hangende de procedure uitstel van betaling heeft verleend voor de onderhavige kosten. Versnelde invordering met afvoer 4.23. De vraag of de Ontvanger terecht is overgegaan tot versnelde invordering met executoriale beslaglegging kan niet door het Hof als belastingrechter worden beantwoord maar slechts door de burgerlijke rechter (artikel 17 Invorderingswet 1990; HR 17 juli 2020, nr. 20/00082, ECLI:NL:HR:2020:1200, r.o. 2.6). Hierop stuiten de klachten van belanghebbende inzake ‘de versnelde invordering met afvoer’ af. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020. De griffier, De voorzitter, (J.H. Riethorst) (R. den Ouden) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 08 september 2020. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.