← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:7403

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005595-17 Uitspraak d.d.: 16 september 2020 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 oktober 2017 met parketnummer 16-106597-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €9.820,38. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. H.A. Rispens, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit hof van 16 september 2020 met parketnummer 21-005594-17 ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot straf. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal afwijzing van de vordering gevorderd omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk financieel voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde. De raadsman heeft zich bij pleidooi op hetzelfde standpunt gesteld. Het hof overweegt als volgt. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag. Aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. E. de Witt, raadsheren, in tegenwoordigheid van C.A.M. Veenbaas, griffier, en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.