Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005201-17 Uitspraak d.d.: 21 september 2020 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 september 2017 met parketnummer 16-700143-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 september 2017 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 31.953,00 en verdachte veroordeeld tot het betalen van datzelfde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat betrokkenen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 28.758,00 en zij heeft gevorderd dat de betalingsverplichting wordt opgelegd tot dat bedrag. De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat de ontnemingsvordering in zijn geheel afgewezen dient te worden. Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit hof van 21 september 2020 (parketnummer 21-004018-17) vrijgesproken van het tenlastegelegde. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. L.J. Bosch en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier, en op 21 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. R.R.H. Laurens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.